(7os. (Sin.
( dg>
hierin blijkt vooreerst dat voor x = b^ telkens de geintregeerde functie on-
stadig wordt; het theorema (IX) zal ons dus moeten leeren, van welken
invloed dit op de waarde der integraal zij. De voorwaarden-grensvergelijking
Lira. 5F (h 8) = Q, wordt dus hier :
..
Sin.(bnd) :Cos.bTi.Sin.8
8
= Lira. - - -.Lim.r(67i5) . (Lira. 5 = 0)
-f any. o
Nu is (even als vroeger N. 7) Lim. -=, -- * 1> dusmoet Lim.
dat is F(6nr) = zijn, om aan de vergelijking (IX) te kunnen voldoen;
maar alsdan wordt ook:
fa
I
Cos.ka;.Cot.x.~F(x)dx = 0, als V(bn) altijd is. (Lim.*= oo) ..... (XXIX)
Wanneer daarentegen niet altijd F(bn) nul wordt, moeten wij ons wenden
tot N. 7. Aldaar is dan in het algemeen
4*
28 OVER EENIGE GEVALLEN BIJ DE THEORIE VAN ONSTADIGE FUNCTIKN.
maar dezelfde functie wordt reeds onstadig voor x = n, en verder voor alle
x = 6; want dan is:
. o TT
Is dan F (6 ^r) niet altijd nul , zoo wordt
/
Cos.kx.Cot.a:'F(x')dx-=0 ,a<7r;
= oo , TT < a < oo, indien I 1 (b n) niet altijd nul is.
Deze uitkomsten (XXIX) en (XXX) in (w) overbrengende, komt er eindelijk
Cos.kx
~x)dx= , a<7r; I , T . , .
; = oo)
rCos.
Stn
= 0, ) i . . (XXXI)
, TT <^ a < eo , naannate I 1 (6 TT altid nul is of niet. i
oo .
Ook hier wordt F () ondersteld stadig te blijven tussclicn de grenzen van
de integratie.
Het is opmerkelijk, dat deze integrual, die zooveel overeenkomst heeft met
die van het vorige nummer, tot geheel andere uitkomsten leidt, in zoo verre
hier de vorm van k niet in aanmerking kwam, hetgeen daar wol het geval
was: overigens bestaat in dit opzigt een groot verschil tusschen de vier ge-
lijkvormige integralen van N". 6, 1, 8 en 9.
10. Het aangevoerde moge genoegzaam zijn, om te staven wat in den aan-
vang beweerd is omtrent de oplettendheid, die men moet 'wijden aan den
toestand van de grootheid k, of deze van den vorm 4&, 4ft+l,4/c + 2, 4A; + 5
zijj men heeft gezien, hoe zeer in sommige gevallen deze vorm invloed had
op de waarde, en in andere gevallen de vvaarde voor alle /; dezelfde blijfl.
Men mag hierbij niet over het hoofd zien, dat k altijd als eeh geheel getal
werd beschouwd, zoodra daarbij bijzondere vormen werden aangenomen, ter-
wijl anders k geheel willekeurig is.
Uit de gegevene theorie van de algemeenc integralen
OVER EENIGE GF.VALLEN BIJ DE TIIEORIE VAN ONSTADIGE FUNCTIEN. 29
a Sin.kx ["Sin.kx
rf a dx t a Sin.kx fSm.kx
Sin.kz.f(x)dx, I Sm.kx.f(x)~, I / (x)dx , I f(x}dx,
J x J bm.x J Cos. x
/ f a dx [ a Cos.kx f a Cos.kx
Cos.kx.f(x}dx, I Cos.kx.f(x) , / f(x)dx , j 7 f(x)dx,
J x J LOS.JC j bin.x
oooo
vvaarbij zich nog voordeden de beide bijzondere vorraen
ra ra
I Sin. kx. Tang. x. f (x) das en / Cos.kx.Cot.ac.f(x)dx,
4 o
(waar overal Lira, k oo ), kunnen nu voor elk bijzonder geval de verande-
ring dcr integralen worden afgeleid.
Men konde zich nog de vraag voorstellen, of niet in plaats van de functie
Sin.kx of Cos.kx eenige andere goniomctrische functie Tang, k a, Cot.kx.
Sec.kiv of Cosec.kx in te voeren ware: men ziet echter gemakkelijk in, dat
alsdan de uitkomst oneindig zoude worden. Want daar deze laatste function
of voor 40 = - -n of voor kx=-bn oneindig worden, zoo zal er voor
elke x hoe klein deze ook worde aangenomen, k zoo groot kunnen genomen
worden, dat k x eene van bovengenoemde waurden verkrijgt, en dus de in-
tegraal oneindig wordt. Dit bezwaar zoude vervallen zoodra de bovenste greris
van de integratie oneindig klein ware, maar dan worden de integralen tot
eeno bijzondere soort teruggebragt, die door CAUCHY Integrates defmies sin-
yulieres genoemd zijn, en hier niet verder zullen worden nagegaan.
Omdat te gelijk met iedere integraal waarin de factor Sin. k x voorkomt,
eene andere gelijksoortige gevonden is, die slechts daarin verschilt dat de
factor Cos. k x den vorigen vervangt, zoo is wegcns de formule
e kxi () os _ kx i Sin. k x
(ink
| e- k *ij(x)dx = rCos.kx.f(x) dx i l" Sin.kx. f(x) dx.
'
Daardoor geven de theorema's (IX) en (X):
r
fc*' F (.r) d x = 0. (Lim. k = oo ).
Wordt F (x) voor 6, a, of /t (a > h > fe) onstadig, zoo moet
nog respective Lim. $ F (6 + 5) = Q, Lim. 5 F (a 5) = 0,
Lim. ^ F (A 5) = wezen voor Lim. 5 = 0; 6 kan .ook nul zijn.
. (XXXII)
"'" OVER EENIGE GEVALLEN BIJ DE THEORIE VAN ONSTAD1GE FUNCTIEN.
Kvenzoo (IV) en (VI):
*ck**/M~ = oc . 7r/(0) . (Lira. A oo ) (XXXIII)
x
Vorder uit de theorema's (XI), (XII), (XV), (XVIII) en (XIX) verbonden
met (XXXI):
dx 1
Sin. x 2
= |7rF(0),} ( JT < a < oo, naarmateF (iff) altijd of
00
niet altijd nul is.
. (XXXIV)
Eindelijk geven (XX), (XXI) en (XXV) verbonden met (XXVI,) (XXVII)
en (XXVIII):
dx
Cos.
- =
x
oo), 0<^a< oo,
naarmate F ( g" 71 ) alti J d nul is of niet -
Hot is opmerkelijk, dat bier alle onderscheid tusschen de verschillende
vormen van k ten eenenmalc wcgvalt, betgeen dan eens aan de integralen
met Cos.kx, dan weder aan die met Sin.kx te wijten is.
\\. Hoewel in bet voorgaande reeds onderscbeidene toepassingen voorko-
men van de hoofdvergelijkingcn zelve, zal bet misschien niet ondienstig zijn
eene regtstreekscbe toepassing aan te voeren, die meermalen voorkomt, maar
dikwerf met uitkomsten, die van de bier gegevene verscbillen. Zij daartoe:
Opdat deze functie stadig blijve tusschen de grenzen der integratie zal men
moeten nagaan : wanneer de noemer I 2 p Cos. x + p 2 nul kan worden; stelt
men daarin Cos.x = \ 2 Sin. 2 i x, zoo koml er (1 p) 2 + 4 p Sin. 2 i x, dus
de som van twee vierkanten; derhalve moet elk vierkant op zich zelf nul
worden: met den tweeden term 4pSm. 2 i is dit steeds bet geval, zoodra
x = 2 bi*, dus Sin. 2 $x SinSbn is; met den eersten term daarentegen slecbls
il.in, wanneer p = \ is. Om de onstadigheid derbalve te voorkomen, beeft
HUM) slechts bet geval van p = + 1 uit te sluiten, dus de voorwaarde le
stellen oo h>b)
' onstadig, zoo moet nog respective
Lim.^/'(6+ 5) = 0, Lim. d f(a 5)=0,
Lim. S f(h S) = 0zijn, voor Lim. 5 = 0; (5)
b kan ook mil zijn. (Lim. k oo).
:f(x}dx = 0.
(6)
De vergelijkingen (5) en (6) zoowel als (4) en (5), door optelling en at-
trekking te zameri verbonden, geven, wanneer men voor k 1 of k -j- 1
weder eenvoudiger k schrijft:
Sin.kx
f-
f-
f os. k x
^ \ Wordt f-(x) voor b,a, of h (a > h > b) on- ^
2 / sladig, zoo moet nog respective
[ Lim. ^ f(b + 5) = 0, Lim. 5/> *) - 0,
-f(x) dx = i Lim. 5 /" (A 9) = zijn, voor Lim. 5 = 0. (8)
] b kan ook mil zijn. (Lim. k = oo).
Vergelijking (XI) voor al (4>b 1
F, -ffl = - -/ - -IT en F, -JT =- 7/1- -TT
1 l v 2 j l+p 2/ \ 2 / '\ 2 j l+^'l 2
en dan verkrijgt men door de vergelijkingen (XX), (XXI) en (XXV):
^Tan^ ,__!!__ M ...............
.x + p* M; 21+p 2/ \2y
o
5
W7S- EN MATUURK. VERB. DER KOMMiL. AKADEMIE. DEEL VII.
" i OVER EEN1GE GEVALLEJJ BIJ DE THEOR1E VAN ONSTADIGE FUNCTIEN.
fCot.{(-t,kl)x}.Tang.a! n ln\ n 3 n
fix) dx = /I - - <^ a <: (-1-1}
} 2 p Cos. .v -f p 3 ' ' 1 + p ' I 2/ 22'
.JAii.^V^.frrfi)-/
(24)
3
j *
ft 3
.)},
4A-1
*rll, . (28)
Cos. bkx. Tana, x
JS^M**-*. - \
2 ;
. . (35)
= c,)
Ida; ^ f\\ .
. (3fi)
1
[2 +/ , . . . . (38)
1+7' I
o
26+1
26 +1
Hier is ook overal Lim. k = oo .
Eindelijk gebruike men de formule (XXXI). Bij de onderstelling F, (x)
komt men wederom terug tot de integraal (8) ; bij de andere F 2 (^) daaren-
tegen bier tot de uitkomsten
Cos. k .r. Cot. x
]
1 2 p Cos x -\- p 2
xdx = , a < 77, (Lim. k = w)
'( ,Ti<^a'. OVER EENIGE GEVALLEN BIJ DE THEOR1E VAN OPiSTADIGE FDHCTIES.
Nog kunnen de hulpformnlen (XXII) tot (XXIV) en (XXIX), (XXX) hicr
wordcn tocgepast. Hot eerste stel leidt voor F 2 (.?) tot dc integraal (5) ; het
twcedc voor de onderslelling F, (a?) tot de inlegraal (4); wanneer men daar-
nilogen in de eerste formulen F, (x) en in de laatste F 2 (#) invoert, zoo is
t
a Sin. k j-. Sin. x. Tang, x
oo,naarmate/" I - n\ altijd of niet
(
o,
altijd nul is. (Lim.fc = ) (45)
"Cot.kx. Cos. x. Cot. x .,
1 2 p Cos.
(46)
') >< a < . naarmate f(bn) altijd of niet altijd
[ nul is. (Lim.fc =00) ............. (47)
**/
Daar
. .
Sin.x. Tang.x = -- = - - = .,- Cos.x ,
Cos. x Cos. x Cos. x
Cos.* x 1 Sin.* x I
en Cos. x. Cot. x = - = - = " x
bm.x Sm.x Sin.x
is, zoo volgt uit de verbinding van de integralen (0) met (44) en (45), en
van (5) met (46) en (47):
f Sin.kx.Sec.x ,.,
f(*)da = Q , a<;*r, (Lim.* J ............ (*)
1 ZpCos.x 4-p*
J o /26 + 1 \
= 0,(,iTi /o i \ J i ,."
I =_2 v r-1)" f 7C CQ3.(2n-l)xdx _ { _ l k t __
7 J 1 2pCos.x + p* ' J I
Cos.Zkx dx
2 p Cos. x -j- p 1 Cos. x
o
Ten einde dit uit te werken late men k oneindig worden. Alsdan is naar Tables d'lnt. Def. T.
84. 3 de eerste term van het eerste lid
, k ~ l f ,,n ic 2n-l 2w *~ 1 , ,.n 2 1 2 it p 2pit
Voor den tweeden term wende men zich tot de hiervoor gevonden formulen en wel tot 30 33.
Stellende aldaar f(x)= Cosec.x = ^ -- ^ - wordt, daar a = n hier grooter dan | it is, voor
'.()$. ' . J.flflO J'
alle evene k
Cos.Zkx dx .
l-2pCo3.x+p*Cos. 3; = ( -
niet nul is. Dientengevolge is de waarde van onze integraal oneindig groot, en niet ~ ^, zoo als
SCHLOMILCH vindt.
Evenzeer geven ons de gevondene theoremata o. a. dat b. v. de bekeude integralen, Tables etc.,
T. 205. N\ 13, 16, T. 17. N. 10, 1:
f Tang.pxdx f Cot.pxdx f x Sec.pxdx f xCosec.pxdx
j j + x^ ' J q* + x* ' J ^ +x ' J a 1 + x 1
0000 ,
alle oneindig moeten zijn.
~' x OVER EENIGE GEVALLEN BIJ DE THEORIE VAN ONSTADIGE FUNCT1EJ
MII liiormcdc mogen wij de thcoric van dc bepaaldc inlegralen
I Sin. kx.f(x) dx en / Cos.kj:f(.r)djc , (Lim.& = 00 ) ,
"a
als afceliandeld beschouwen, daar men in ieder bijzonder geval zicli lot d<-
gevondene theorcniala kan wcndcn, en daaruit do overecnkomsligc uilkoinst
iilli'idfii. Vow hct bcwcren, dat men dikwcrf op den bijzondcren vorm van f;
Ic lelten beeft, hcbben dc bewijzcn niel onlbrokcn: daar, waar zulks le pas
kwam, is gcwczcn op bet verschil, dat er in dit opzigt dikwijls bestaat lus-
scbcn integralcn, die oogenscbijnlijk tot uilkomsten van denzelfdon aard inoes-
len aanleiding geven, maar waarbij dan eens k gebcel algemocn jjlcef, dan
vvcdt'r in twee of vier afzonderlijke vormcn word gesplitst; ja, men becft gc-
zicn, dat ook bij de grenzen der integratie dikwcrf bijzondcrc vonnon mocs-
ten ondcrscheiden worden. Wij moeten nu nagaan, \\olkon invloed dc bij-
zondere vormcn van hct oncindige uilocfencn, wanneer zij als grenzen der
inlegratie zicli voordoen.
II. OVER DE IKTEGR.IAL / q>(Sin.x, Cos.fix)dx:
I
I (f (Sin.
\ f l. Over deze soort van bepaaldc inlcgra'en zijn zecr verscbillcndc mep-
ningen geopperd, en ?r -f 1 , b d = c\
en de integraal wordt dus:
+4 *
r<3 (f (Sin. #, Cos. (3#)da; Lim.3r [<; (Sin.a8,Cos. ft 5) -|- rcp(Sin.2a8,Cos. i
+ r* (p^in. 33,ros.3/35) + ... + r 2 ^-i(f (5in.2a6jr5,fos.2a67Tj
Hierin is a nog gelieel willekeurig: men ncme dcze grootbeid zoodanig aan
dal rt en ap beide geheele getallen worden; en dit is altijd mogelijk, zoo
lang en (? slechts rationele grootheden zjjn, want dan behoeft men voor a
b. v. slechls het kleinste gemeene veelvoud van de noemers te nemen, die in
de waarden van en (? voorkomen; het is echter duidelijk, dat a even good
elk veelvoud van dit gemeene veelvoud kan zijn. Bij deze onderstelling wordl,
wanneer e eenig gedeelte van 6 voorstelt, zoodanig dat od \, 2, 3 tot c
wordt :
Sira. {(2 n e a +/) a. 8} = Sin. (2n.aa.eS +/ 3) = Sin. fa 8 ,
Cos. {(2 TT e a +/) (3 5} = Cos. (2 TT. a |J. e 5 -j-/|J d) = Cos.ff? d ;
en derhalve ook:
(f [Sin. {(2 n e a +f) a 8} , Cos. {(2 n e a +/) |3 8} ] = g- (5zn./ 5, Cos./(3 5) .
Ilierdoor verkrijgt de integraal den volgenden vorm :
r^ /f (Sin. u x, Cos. |? x) d x = Lira. 8 r.
[ (Sin. 2 a n a S, Cos. 2 a n ft 3)]
of wannoor men het tweede lid dezer vcrgelijking volgens de grondformule
(Ai) tot cene bepaaldc intcgraal berleidt, waarbij dan even goed de grenzen
en 2ai kunnen worden gesteld in plaats van S en 20^ + 5 en dit is
werkelijk geoorloofd, wanneer ten minste
1 1 1 2 j
l_(l_f3)2aT jl_?_^5
1
-/*+..
2 an 2 a n Scan 1 2 an
~' ~ fd
zoodat hier dezelfde uitkomst verschijnt, als straks door het differentieren
van teller en noemer. Hierdodr wordt de vergelijking (C) :
fOOTC
e~f x q(Sin.ax,Cos.fa}dx~Lim.8c\(] fd)<) (Sin.ad,Cos.fi8)+(If8) 2 ,/ (Sin.2ct8,Cos.2^8)+...
1 -/** Sin 2a
of, als men de derde of hoogere magten van 9 verwaarloost :
f e-J* y (Sin. ax, Cos. fix}dx = c (Lira. 8 [qp (Sin. a 8, Cos. {!8)+
f(Sin..v t Cos.pa,)dx=cl ^(Sin.aXjCos.^dx c/ I
/
c I tf>(Sin.ux,Cos.(la;)(l fx)dx,(cnict oo).
. (XXXVII)
Hij de ihcorcmata XXXVI en XXXVII inoeten a en a (3 steeds geheele ge-
tallen x.ijn.
14. Wanneer c ook oneindig zijn kan, mag men de vergclijking (C) niet
nicer gebruiken, maar moot men zich dadelijk tot de vergelijking (B) wen-
den. Het tweede lid daarvan be vat onder andcren twee factoren, die beide
rooksen zijn: de eerste daarvan
y = 1 -f- r 2 "* + r*T + ... + r( c - 1 )2"'- ............ (06)
wordt met c oneindig, en derhalve ook divergent, zoodra r gelijk of grooter
dan ceil is. Opdat dus de waarde der integraal niet oneindig worde, dat is,
opdal dc integraal zelve bestaan kunne, is hct voorecrst noodzakelijk, dat
dc tweede reeks
d, Cos. 2 an (
mil worde. Aan deze voorwaarde wordt voldaan door de volgende onder-
stelling:
1.im.(Sin.2cma8,Co!i.2an[ld)] =, 0;. (D)
dat is, wanneer men deze reeks volgens de grondformule (A^ in eene be-
paalde integraal overbrengt:
/
(E)
Dat deze onderstelling wezenlijk de gewenschte uitvverking beeft, althans voor
het gcval dat r juist 6n is, of de eenheid tot limiet heeft, betgcen hier
slcchts te pas komt, blijkt op de volgende wijze. Wanneer men toch de
formule (D) van (ac) aftrekt, zoo komt er:
OVER EENIGE GEVALLEN BIJ DE THEORIE VAN ONSTADIGE FUNCT1EN. 45
-{- (1 r 2 <"r-i) 9 (Sm. 3 a TT a 5 , Cos. 2 a ?r (J 5)]
1 _ r *
. = (1 r) 5 | (Sin. 3 5, Cos. 3 5) -f- . . .
8 J. r
1 - r 2a!T 1
+ - g> (Sin. 2a TT a 5, Cos. 2 a TT (3 tf) I .
Ten einde de waarde van z onder nicer symmetrischen vorm te brengen,
telle men daarbij den getallenvorm (D), waarvan de waarde nul is'; dan wordt
I
+ (l + - - L (Sin. 2 a TT a 3, Cos. 2 aw p$)] (ad)
\ I r J
Substitueert men deze waarde in de vergelijking (B) en bedenkt men,
dat het produkt van den factor (1 r) uit de waarde van z met de reeks
y vermenigvuldigd, nu ook voor r 1 convergent moet zijn, en dat men dus
nu ook bier stellen mag, dat
n ff2.a.7s\ n _L. ifta-jf _1_ j.4aT _j_ _ ^ _ I r (c I)2a?r\ ]^ r 2caT
I
is, zoo heeft men eindelijk voor de formule (B) :
!
1 f (Sin. a 3, Cos. 8) + . . .
J Zair
_ r 2oT
1 r
= (c eindig) .............. (XXXVIII)
en dit komt, bij de onderstelling (E), die hier is aangenomen, gehecl mo I
het theorema (XXXVI) overeen.
S
Wordt daarcntegen r \ -- , zoo is, zoo lang c eindig blijft,
Lim.r* =Lim. 1 -\ - Lim. l-- =
volgons oone bekende stelling uit de theorie der limieten. Vervolgens
/ \
1 r 1 ""( 1 ~~c)
Lim - = Lim -" - ^^ 111 --
l*3 T
? "1
1 1 2 c
en
1 _ r 2ca* I T Uait$
Lira.- - = Lim.- - = -,(Lim5 = 0),
o o
(\\annecr men de waarde c = bd substitneert) en dit wel voor elke eindige
w;iarde van r. Men moot dus hier ten opzigte van ^ den teller en den noe-
mer dilTerentieren, en verkrijgt dan:
Lim. - = Lim. -=Lim.(
1
wannecr mon in den laatsten factor c = b8 substitueert. Nu is:
/ d\
c I S\ ~~c)
Lim.&Zr = Lim.-Z 1 = Lim.c - = -;
o \ cj o
\\\* woderom teller en noeincr ten aanzien van S differentierende :
OVER EENIGE GEVALLEN BIJ DE THEORIE VAN ONSTADIGE FILNCTIEN. 47
JAm.blr =- Lim.c f 1
c
1
en
Lira. r* = 1 -- =1;
waaruit eindelijk volgt
1 _
Lim. - - = 2an.( l).(l) = + 2an ......... (ah)
o
Wanneer men nu deze uitkomsten (af), (ag) en (ah) in de vergelijking
fr
(ae) overbrengt, en daarbij bedenkt, dat voor r = i --- naar de formule (ag)
is, zoo heeft men ten laatste:
r a
of^ wanneer men de laatste reeks naar de algemeene grondformule tot eene
bepaalde integraal herleidt:
f2vac _\_ x r^air
e c y (Sin. a x, Cos. fix)dx = I 9 (Sin. x, Cos. fix) xdx. (c eindig) . (XXXIX)
o o
En dit komt Avederom overeen met de formule (XXXVII), als mendaar/'=-
neemt, waardoor c f = 1 wordt, en men tevens bedenkt dat bier, volgens de
voorwaardevergelijking (E) de eerste integraal in bet tweede lid dier ver-
gelijking (XXXVII) verdwijnt.
Wanneer eindelijk c oneindig wordt, zoo verandert de vorige redenering
X
niet, dan ten opzigte van den factor r s onder het integraalteeken. Reeds da-
W OYKR F.KMGK Gl.VALI.O BIJ DL THKORIK VAN ONSTADIGI. FUNCTIEN.
delijk konde men wel is waar in dat geval voor c aanncmcn c~ c dat is 1,
maar tot dezclfdo uilkomst kan men ook op eene nicer zekerc wijze aldus
geraken. In aanmerking nemende, dat men, zoo c oneindig is, ook daarvoor
- siollcn kan, heefl men r = l =1 (5 5 , en vervolgens:
In plaats van dc vergelijking XXXIX komt Iiier dus, als men k voor c
scbrijft:
/2rai rla.7!
(f (Sin. ax, Cos. $x,dx = I q (Sin. ctr^Cos.^ x}xdx, (k =
"
(XL)
Bij de ihcorcinala (XXXVIII), (XXXIX) en (XL) moet men niet vergclen,
dat steeds de formulcs (D) of (E) als voorwaarde zijn aangenomen, en tevens
even als vroeger a a en aft geheele getallen moeten zijn.
15. Tot nog toe behandelden wij slechts de integralen die en 'Jwoc,
eenig veelvoud van 2^, tot grenzen hadden; thans kunnen wij evenwel de
heschouwing verder uitstrekken, en aan dezclfde integralen de grenzen en
2?rac + 6 toekennen, waar dan b naluurlijk kleiner dan 2^ moet zijn. In
de theoremata XXXVI tot XL komen twee vormen van integralen voor, die
dan hier worden: .
fxac+l pixac. fZ-ac+b
, en hiermede is hetgeen in N'. 1 is aangevoerd genoegzaam
bewezen. Het behocft naauwelijks te worden opgemerkt, dat de vergelij-
kingen (XXXVII) en (XLII) respective in (XXXVI) en (XLI) overgaan, zoodn.
f gelijk nul wordt gesteld.
16. Neemt men als toepassing
zoo is respective
x px
(f (Sin. a x, Cos. ft x) = Sin. en = Cos. ,
2 4
=?,(S = en = (),!? = -;
om dei halve de produkten a en a? tot geheele getallen te maken, behoeft
men, als p en q geheele getallen voorstellen, slechts a = q te nemen. In
deze gevallen is zoowel bij de eene als bij de andere onderstelling:
f^A^r^^^
J q J pj dy POP
o
r,
, ,.
(ok)
P x j r 2 "^ ? [**d.Sin.py q ( ^vc q .
. dx = ql Cos.pydy = -\ dy = -{Sin.py] =-(0 0)==0;
J Pj dy p^ o P
u
wanncer men eerst x = qy stelt, en vervolgens verder herleidt.
Aan de voorvvaardenvergelijking (E) wordt dus bier voldaan, en dien ten
gevolge geven de theoremata (XXXVIII) en (XL) :
OVER EEN1GE GEVALLEN BIJ DE THEOR1E VAN ONSTADIGE FUNCTIM. 51
-Sin. da; = , (52)
2
Cos. dx = , . (53)
9
f
[2x
o
/ Cos. dx = l Cos.~.xdx = -I (7os.y.?/cZy = 0,(V.T.255.N <> .l),(i= cc),(54)
00
fxyk px (-I* px o 2 f^P 7 *
Sin. dx = / Sin. - xdx = I Sin.y.ydy , (k = oo ).
q J q p* ]
In de beide laatste is x = - y genomen. Om de laatste bepaalde intcgraal te
vinden, zal men den grensafstand tot *lpn in p andere moeten verdeelcn,
die elk 2?r bedragen, namelijk van tot 2^, van 2^ tot 4 -n, enz. van c.2rc
tot (c 1). 2 TT en van (p 1).2T tot p. 2i. Verder in eenige integraal,
van c. c ln tot (c + 1). 2 ^ genomen, moet men y = 2 c T + ^ stellen, dan vvor-
den de grenzen van x: en 2^; met dx = dy, Sin.x = Sin.y; daar verder
voor de factor y onder het integraalteeken 2crc-|_# komt, kan men zoodanige
integraal in twee andere ontbinden, eene met 2c^ als factor, (die als con-
stant buiten het integraalteeken te brengen is), en eene andere, waar x als
factor onder het integraalteeken blijft staan, dat is
f(e+l).2 /-27T /-27T
I Sin.y.ydy = 2 en I Sin. xdx -\- I Sln.x.xdx.
c.2re
De integralen der eerste soort zijn alie van denzelfden vorm als de eerste
der integralen (ctk) en verdwijnen dus. Die der tweede soort zijn daarentegen
alle gelijk, en hcbben volgens mijne Tafels T. 250. N". 1 tot waarde 2j
zulke zijn er p en dus is :
f2pJt
1 Sin. x. xdx = 2pir; (55)
en derhalve
/n^ nx 2(7 2 7T
Sin. 4 dx = , (k = oo) (56)
q p
o
Vervolgens geven de theorems ta (XLIII) en (XLV), met behulp der reeds
gevonden uitkomsten :
7*
52 n x n pb
C"ot ~~ dx = I Cos. dt = Sin. , (^^)
A) ^o
/ '"' <} C i> I '' q l P P\ '?/'/'
o 'o
r?t+* px f b ., px , q pb
Cos. dot = I Cos. - dx bin. . i (ol>;
q j 9 P q
llicriiil ziot men, dat de gewoonlijk gebruikle uilkomsleu
/*>
.xdx = 1 en I Cos.xd.c 0,
/ /*
I Sin.xdx = 1 en I
o o
/ie Tables etc., T. 9G, N". 2, 5, niet geldendc kunnen zijn.
RECHERCHES PALEONTOLOGIQUES
SCB
LE TERRAIN TERTIAIRE DU LIMBOURG NEERLANDAIS,
PAR
J. BOSQVET.
AVANT-PROPOS.
Les couches terliaires du Limbourg Neerlandais semblent etre beaucoup
moins riches en debris organiques, que celles du Limbourg Beige. C'est-la
pcut-etre une dcs principales causes, pour lesquelles elles n'avaient ete que
ibrt peu explorees jusqu'a present sous le point de vue paleontologique. Leur
Faune fossile connuc etait en effet restee a peu pres insignifiante. Elle ne
consistait jusqu'ici qu'en une douzaine d'especes, qui ont etc mentionnees en
partie, par Mr. A. W. G. VAN RIEMSDIJK en 1844, par le Dr. H, DE BEY
en 1849, et par moi en 1852 *.
Cependant les dernieres recherches faites dans le Duche, tant par Mr. THIE-
RENS que par moi, et surtout celles, qui ont ete commencees sous les auspi-
ces de Mr. le Dr. W. C. H. STARING, ont ete couronnees de quelque succes.
Elles ont amene la decouverte d'un nombre assez considerable d'echantillons
et d'especes, qui entreront pour la plupart dans les collections du Musee
geologique de Harlem.
* Je crois ne pas pouvoir citer ici la liste de fossiles tertiaires de Schin-op-Geul publice en 1857,
dans le l ier Eapport sur les travaux executes par la Societe des Mines pour la Neerlande (Bergtverk-
Vereeniging voor Ncderland), parcequ'il me semble que cette liste (meme avec les singulieres modi-
fications qui y ont e'te' faites dans le Eapport suivant publie en 1858), ne peut etre signalee comme
raeritant une entiere confiance.
S
N4TDURE. VERB. DEH KO.MNKL. AKADEMIK. DEEI. VII.
2 RECHERCHES PALEOISTOLOGIQUES SUR LE
|
Le Dr. STARING, qui est charge- dc la confection de la Carle geologique *
de la Necrlande, public en ce moment, sur la constitution geologiquc du
Hoyaumc, un ouvrage fort inte"ressant {% dans Icqucl il se propose de don-
IHT des lisles generates des fossiles recueillis dans les divers terrains de
notrc pays.
Get cxploratcur savant et zele, qui veut bien m'lionorer de son amitie,
m'ayant prii' 1 de dresser ccs listes, pour autant qu'ellcs concernent le terrain
cretace du Limbourg, ainsi que le terrain tertiaire de ce Duche et de la
Gueldre, j'ai commenc^ depuis quelque temps 1'ctude de nos mate"riaux de
la formation terliaire. Par cetle etude je suis parvenu a determiner 90 es-
peces trouve"es dans le terrain tertiaire du Limbourg. La Faune fossile con-
nue de ces couches terliaires a done mainlenant ete plus que septuplee, et
je n'ai aucun doule que cette Faune ne s'accroisc rapidement par la suite,
du moins, si les divers amateurs actuels continucnt leurs recherches avec le
zele louable, qui les anime depuis quelques annees.
Ayant reconnu par mon travail de determination, que parnii les 90 espe-
ces du Limbourg il y en a quelques-unes, qui sont ou tout-a-fait nouvelles,
ou decriles et figurees par divers auteurs d'une maniere insuflisante ou in-
correcle, j'ai cru rendre service a la science en faisant connaitre ces espc-
ces, a 1'aide de descriptions detaillees et de figures sulfisamment agrandies.
C'est-la 1'objet de la presenle Notice, que j'ai 1'honneur de soumettre au ju-
gomenl de I'Academie, et pour laquelle je prends la liberte de lui demander
une place dans le recueil de ses Memoires.
Des 89 especes d'animaux decouvertes dans le terrain tertiaire du Lim-
bourg, il y en a 1, qui fait partie de la classe des Poissons; 12, qui ap-
partiennent a la classe des Crustaces, dont la majeure partie, c'est-a-dire \ i
de 1'ordre des Oslracodes, et une seule dc 1'ordre des Balanides; 2 autres
especes font partie de la classe des Vers, et de 1'ordre des Tubicoles; une
sculc sc rapporte a la classe des Amorphozoaires; trois autres a celle des
Foraminiferes, et tout le reste enfin fait parlie de la classe des Mollusques;
57 de ces dcrnieres appartiennent a 1'ordre des Gasteropodes et les 35 autres
especes a 1'ordre des Cormopodes. Je ne puis mentionner jusqu'ici aucun de-
bris organiqtio du Regnc vegetal, a I'exception d'une seule espece apparte-
Ln premiere feuille de cette Carte vient de paraitre.
f Get outrage ne sera que le Prodrome d'une description gcSologique plus detailk'e.
TERRAIN TERTIA1RE DU LIMBOURG NEERLANDA1S. 5
mint a la region des Tliallophyles, section des Prolophytes, classc et ordre
des Characes.
Les 24 especes nouvelles que jo decris ci-apres, sc repartissent ainsi: 2
dans la classe des Vers, ordre des Tubicoles; 2 dans la classe des Fora-
miniferes, ordre des Agatliistcgues, et 19 dans la classe des Mollusques; dont
17 dans 1'ordre des Gasteropodes et deux seulement dans 1'ordre des Cor-
mopodes. A ces restes d'animaux j'ai pu ajouter une plante nouvelle qui doit
otre rangee dans la classe et dans 1'ordre des Characes.
Tous ces restes fossiles ne proviennent quo de deux des systemes qui ont
ete etablis par le celebre Geologue Beige, feu Mr. ANDRE DUMONT: le sys-
teme Tongrien et le systeme Rupelicn. Le Dr. BEYRICH range ces couches
a litre de sous-divisions dans les depots de son epoque oligocene. Dans le
systeme Bolderien, etage nympheen DCM. (Oligocene superieur = Sternber-
yergestein BEYRICH) il n'a ete recueilli jusqu'ici, a ma connaissance dans le
Limbourg, aucun autre debris organique qu'un fragment de feuille d'un Ve-
getal Monocotyledone. Celle feuille a ete decouverte par moi, dans une cou-
che d'argile schistoide, epaisse de quelques centimetres seulement^ cntre les
villages de Daneken et Zweikhuizen, an S. S. 0. de la ville de Sittard. Cette
feuille n'etant pas tout-a-fait complete, n'a pas encore pu etre determinee
avec quelque certitude.
Quant aux conclusions gcologiqucs que Ton pent tirer de la comparaison
des especes tertiaires du Limbourg avec cellos d'autres pays, je renverrai au
memoirc precite do Monsieur le Dr. STARING. Ce Geologue publiera pareil-
lement dans son memoire, le tableau de la distribution geologique et geo-
graphique de la Faune dont il s'agit.
Je ferai seulement remarquer ici en passant, qu'en jetant un simple coup-
d'oeil sur ce Tableau, Ton s'apercevra immediatement que c'est dans I'assise
superieure du systeme Tongrien et dans I'assise inferieure du systeme Rupe-
lien du Limbourg Beige, que so retrouvent le plus grand nombre d'especes
identiques avec des especes du Duche de Limbourg. Aussi nous n'avons pas
le moindre doute que les deux etages du Limbourg Neerlandais, dans les-
quels nous avons eu le bonheur de pouvoir recueillir le plus grand nombre
d'especes, ne representent ces deux etages, malgrc les differences de puis-
sance et la presence du tres-petit nombre d'especes que nous ne connaissons
pas encore dans les assises homonymes de la Belgique.
Maestricht, le 24 Octobre 1858.
4 REC11ERCHES PALEOMOLOGIQUES SUK LE
Classis I. V E R M E S.
Familia. TUBICOLAE.
1. SERPULA DISTORTA n. sp.
PI. I, fig. 1 et 2, a, b.
Le test de cette tres-petite espece cst sub-cylindrique; il est adherent dans
toute sa longueur, et le plus souvcnt il n'est forme que dc deux tours dis-
joints, qui sont ordinairement regulieremcnl enroules dans un memo plan et
a pen pres. constamment de gauche a droile. Ces tours sont en general peu
distants 1'un de 1'autre; ils sont plus quo semicylindriques, et leur surface
n'est ornee que de stries transversales presque rcgulieres d'accroisement. La
bouche est parfaitement circulaire.
Dimensions. Le tube acquiert 0,8 0,9 m.m. d'epaisseur a son extremite
anterieure. L'espace, que couvre cette petite Scrpule, est ordinairement de 5,
rarement de 4 in.in.s.
Gisemcnt et localites. Cetle Serpule est assez rare dans le Limbourg Neer-
landais et n'a etc trouvee jusqu'ici, que dans la couche a Petoncles de 1'e-
tage inferieur du sysleme Rupelien, pros de Vliek (Commune d'Ulestraten).
Elle se rencontre en Belgique dans la memo couche tertiaire a Bergh, pres
de Klein-Spauwen. Je ne 1'ai observee jusqu'ici qu'a 1'interieur de la bouche
de la Valuta Rathieri et des Buccinum Gossardi et Thiercnsi.
2. GALEOLARIA ACUTIROSTRIS n. sp.
PI. I, fig. 3, a, b.
Je ne connais jusqu'ici que des fragments de celte Galeolaire. Le frag-
ment le mieux conserve de ma collection, cclui que j'ai figure, provient de
Bergh, dans le Limbourg Beige.
Cetle espece semble avoir ele adherente dans toute sa longueur; son test
est cylindrique, obscurement sub-trigone et plus ou moins tortueux. Sa bou-
che porle superieurement une languettc dentiforme triangulaire, qui se ter-
mine en avarit en une poirite aigue. Les indices des accroissements succes-
sifs sont asscz regulierement espaces, et les contours des lignes d'accroisse-
ment correspondent exactement an contour de la bouche. Le contour interne
de celle-ci est sub-orbiculaire.
Dimensions. La partie figuree du tube a 1,25 m.m. d'epaisseur; la lon-
gueur de ce fragment est de 12 m.m.
TERRAIN TERTIAIRE DU LIMBOURG NEERLANDAIS. 5
Gisement el localites. Elle semble etre rare dans 1'etage inferieur du sys-
terae Rupelicn (couche a Petoncles) de Vliek, dans le Limbourg Neerlandais.
Elle est de meme peu commune dans le meme etage tertiaire a Bergh, ati
Vieux-Jonc, a Colmont et a Looz, dans le Limbourg Beige.
Classis II. MOLLUSC A.
Ordo I. GASTROPODA.
5. MELANIA CARINATA n. sp.
PI. I, fig. 4, ac.
Coquille ovale-conoidale ; a sommet obtus; composee de 6 7 tours lisses
et luisants, separes par des sutures assez profondes. La partie embryonale est
formee de 1^ 2 tours assez courts; tous les tours snivants sont tres-con-
vexes, forteraent .carenes au milieu et augmentent regulierement et assez ra-
pidement en largeur. La hauteur du dernier est a peu pres egale a celle de
la spire. Qtioique la surface est lisse et luisante, on y apercoit quelques lignes
longitudinales d'accroissement, qui s'effacent sur la carene. La bouche est
ovale et pointue au sommet. La levre droite parait etre simple (elle etait cas-
see dans rechantillon); la gauche est calleuse, pen epaisse et recouvre le bord
superieur et la columelle. Cette derniere est courte et assez fortement arquee.
Dimensions. L'echantillon etant casse, je ne puis en indiquer les dimensions,
que d'une maniere approximative. II avait environ 7 8 millimetres de hauteur.
Gisement et localites. Cettc belle petite Melania n'a ete trouvee jusqu'ici,
a ma connaissance, que dans la couche a Petoncles de 1'etage inferieur du
systeme Rupelien, a Vliek. II est vivement a regretter que 1'unique echan-
tillon, qui a ete recueilli, est tombe en fragments au moment d'en faire les
dessins. Heureusement, ce malheur n'est arrive, que lorsque les contours etaient
deja acheves.
4. NEMATURA DUNKERI n. sp.
PI. I, fig. 5, ac.
Coquille grele, tres-petitc, ovale-allongee, presque cylindrique; lisse, lui-
sante, a sommet obtus; formee de 4? 5 tours convexes-deprimes, separes par
une suture peu profonde, mais biendistincte; ouverture sub-orbiculaire, retrecie.
6 RECHERCHES PALEONTOLOGIQUES SUR LE
Dimensions. Longueur 1,5 in. in.; epaisseur 0,75 in.m.
Rapports el differences. Cellc espece ne pent pas etre confondue avec la
Kematttra pupa NYST sp., qui se trouvc avcc ellc dans Ics memes couches
tertiaires du Limbourg Ncerlandais. L'cspece dc 1'Auteur Beige se distingue
au premier abord do la notre, par scs dimensions tout-a-fait differentes, par
ses tours plus convexes et par ses sutures plus prolbndes. La Nematura
Schwii'iirs lignes transversales cxlremement fines, qui deviennent plus apparentes
vers la base du dernier; le tiers superieur de celui-ci et la moilie superieure
de 1'avant-dernier est ornee en outre de nombrcux sillons longitudinaux tres-
rapproches les uns des autres. Ces sillons, imperccptibles a 1'oeil nu, sont le
plus prononces a cote des sutures, et s'eflacent insensiblement avant d'avoir
attcinl la partie la plus convexe de ces tours. La boucbc est ovale-poinlue;
son bord droit est simple, mais assez epais; la levre gauche est repliee sur
la columelle, qui est aplatie et faiblement arquee.
J'ai dedie cette Rissoa a 1'illustre Auteur du beau travail sur les Mollus-
ijiios du terrain tertiaire du Nord de rAllemagne.
Dimensions. Longueur 1,6 m.m.; epaisseur 1,2 m.m. La hauteur du der-
nier tour est a celle de la coquille comme ^-y.
Rapports ct differences. Gette tres-petite Rissoa est bien distincte, et ne
jteut etre confondue avec aucunc de ses nombreuses congeneres.
Ciisement et locality's. La Rissoa Reyrichi n'a ete Irouvee jusqu'ici dans
le Limbourg Neerlandais, quo dans la couche a Nucules de l'elagc inferieur
du sysleme Rupelien a Vliek. Dans le Limbourg Beige je 1'ai recueillie pa-
reillement a Bergh, dans la meme couche terliaire. Elle scmble etre extre-
nicnient rare, puisque, dans chacune des localiles citees, il n'a ele Irouvo
(ju'un soul echantillon.
7. PLANORBIS SCHULZIANUS DUNKER 1854.
PI. I, fig. 10, a-d.
PLANORBIS SCHULZIANUS BUNKER, 1854. Ueber die in dor
Braunkohlen-formation von Grossalmerode in neuerer Zeit
entdcckten susswasser Mollusken, pag. 8, 9. (Aus den 5 ten
Hefte, des 6 ten Bandes, der Studien des Gottingischen Ve-
reins Bergmannischer Freunde).
Ce tres-petit Planorhe est largement ombilique en dessous, ct plan en dcs-
sous; il est forme de 5 3J tours non embrassants, separes par une suture
profonde et plus ou moins carenes des deux coles; ces tours sont couverls
de strics Iransversales tres-fines et pourtant tres-apparentes; le bord superieur
de la bouche n'est pas saillant.
TERRAIN TERTIAIRE DU L1MBOURG NEERLANDA1S. 9
Dimensions. Longueur 2 m.m.; epaisscur 0,5 m.m.
Rapports et differences. Je dois a 1'obligeance de Mr. Ic Baron FERD. DE
FRANCQ, la communication d'une espece, qui se rapproche beaucoup (in Plan.
Schulzianus et qui a etc recueillic dans une couclie du memo age geologi-
que; c'est-a-dire les sables superieurs de Jeurre eta Elrechy, en France. Jc
regarde celte espece comme bicn distincte du . PI. Schulzianus. Elle diffcre
csscntiellemcnt dc celui-ci: 1. par son cole infericur assez profondcment con-
cave au centre; 2. parcequc la face superieure de ses tours offre au milieu
une partie saillante et obtuse, a la surface de laquelle les slrics transver-
sules proeminentes decrivcnt une courbe bien marquee; et 5. enfin, parce-
que les deux carenes, qui orncnt la surface de ses tours occupenl une place
tout-a-fait differenle: 1'une de ces carenes se trouve sur la ligne longitudi-
nale medians des tours, tandis quo 1'autre se voit sur la meme lignc que
la suture inferieure. De cette disposition resulte, que ces deux carenes ne
sont visibles qu'a la surface du dernier tour.
Considerant Fespece Francaise comme nouvelle, et croyant que cette ca-
racteristique differentielle d'avec le Planorbis Schulzianus, suffira pour la faire
reconnailre, je me crois en droit de lui imposer un nom et jc 1'appellerai
Planorbis Deshaijesi.
Gisement et localiles. Lc Planorbis Schulzianus a etc trouve par Mr. THIE-
KENS et par moi, dans 1'etage superieur du systeme Tongrien et dans 1'etage
inferieur du sysleme Rupelien : a Vliek, a Humkoven, a Klimmen, au Gouds-
berg (commune dc Hulsberg) et dans le Krekelenbosch (commune de Schin-
op-Geul). II se rencontre pareillement dans les coucbes contemporaines du
Limbourg Beige: a Bergh pres de Klein-Spauwen, au Vieux Jonc, a Heer-
dercn, a Henis et a Looz. Mr. le Dr. GUILL. DUNKER de Marbourg a recu
les echantillons qu'il a decrit (sans figurer 1'espece), de Mr. HERMANN SCHULZ,
et cet amateur a recueilli ces ecbantillons dans les lignites de Grossalmerode.
Ces lignites appartiennent indubitablement, au memo etage geologique, que
1'etage superieur du systeme Tongrien, qui renferme pareillement des lignites.
8. SUCCINEA UBAGHSI n. sp.
PI. I, fig. 11, ac.
SUCCINEA OBLONGA NYST, 1843. Description des coquilles et
des Polypiers fossiles des terrains tertiaires de la Belgique,
png. 4GG, pi. XXXIX, fig. 11, non DRAPARNAUD.
Coquille ovale-allongee, cono'idale; formee de 5j 4 tours assez fortement
9
>ATUURK. VERH. DER KON1MJL. AKADEMIE. DEEL VII.
10 RECI1ERCI1ES PALEONTOLOGIQUES SUH LE
convcxcs; coux-ci sonl separes par nne suture profonde ct leur surface est
couverte de nombreuses stries d'accroissement irreguliercs et bien prononcees;
le dernier tour depasse un tant soil peu les deux tiers de la bauteur lolale;
la spire, qui est obtusement pointue au sommel, egale a peu pros la bauteur
de 1'ouverture; celle-ci est ovale-obliquc et largement arrondie a son extre-
mite inforieurc.
Dimensions. Longueur 14 m.m., largeur 8,5 ra.m.
Ilapports cl differences. Cette espece a les plus grands rapports avec la
Succinea oblonga DRAP. acluellemcnl vivante. II n'cst done nullement eton-
nant, qu'elle ait etc rapportee avcc doute en 1843 a 1'especc de DRAPAR-
NAUi), par Mr. II. NYST, a qui j'avais communique 1'unique ecbantillon, trouve
dans le sable a Peloncles de Bergb, pres de Klcin-Spauwen. Comme la
ligure, qui a ele donnee dans POuvrage siir les fossiles tertiaires de Iklgiquc
ne me semble pas tout-a-fait correcte, j'ai cru utile de representer de noti-
veau le seul echantillon^ recueilli dans le terrain terliaire du Limbourg Neer-
landais. Get ecbantillon, qui a des dimensions doubles de celles de la Slice,
oblonga est a ma connaissance le seul, qai ait ele trouve depuis la publica-
tion du beau travail de Mr. H. NYST.
Gisement et localiles. L'echantillon decrit el iigure dans ce memoire vienl
dV'trc recueilli par Mr. UBAGHS de Fauqucmont dans un sable argileux, ap-
partenant ;i 1'etago superieur du systeme Tongrien an N. 0. du village de
Klimmen.
9. CYCLOSTOMA FRAGILE n. sp.
PI. I, fig. 12, n c.
Coquille sub-ombiliquee, tres-fragile, ovale-conoidalc, formt' i e tie 4-i 5 lours,
M'|I;IK ; S par des sutures profondes. Le premier de ces lours, (parlie embryo-
nalc) esl toul-a-fail lisse; les deux a Irois moyens, dont le diamctre aug-
menle reguliercmcnl el assez rapidemenl, sont couverls de lignes longiludi-
nales d'accroissemenl irregulieres peu apparcnles; ces lignes sont coupees par
d'autrcs transversales proeminenles alternalivement plus minces el plus grosses.
Le dernier tour est Ires-venlru; il esl plus dc deux fois aussi large qnc
I a va nl-dernier, el odre, dans ses deux tiers superieurs, ;'i peu pres les memes
ornemenls quo celui-ci. Parmi les lignes, ou plut6t les cdtes minces trans-
versales, qui ornent la parlie mediane de sa surface, on en remarquo qualre,
qui sont plus proeminentes el plus grosses que les aulres. A la surface du
TERRAIN TERTIAIRE DU L1MBOURG NEERLANDAIS. 1 1
tiers inferieur du dernier tour, toutes les lignes transversales sont extreme-
menl minces. Le peristome est continu, presque disjoint; il est lisse, tres-
ouvert, mais non epaissi. L'opercule m'est inconnu.
Dimensions. Hauteur 5,25 m.m.; largeur 3 m.m. Le diamelre de la Louche
sans le peristome est dc 1,50 m.m.; la hauteur du dernier tour est egale
aux - de la hauteur totale.
Gisement et localites. Le Cyclostoma fragile semble ne pas etrc rare dans
le sable argileux a Petoncles et dans la couche a Nucules (Etage inferieur
du systeme Rupelien DUM.) de Vliek; cependant, il est tellement fragile que
jusqu'ici nous n'avons pas ete assez heureux (Monsieur THIERENS et moi)
d'en trouver un seul echantillon crilier. A celui qui a ete figure, le pe-
ristome manque, et cette partie a du etre restauree dans la figure, d'apres un
autre echantillon incomplcl, dans lequel cependant cette partie est complete.
10. PLEUROTOMA HORNESI n. sp.
PI. I, fig.- 13, a-c.
Quoique jusqu'ici je n'aie a ma disposition qu'un echanlillon sub-adulle, ou
meme jeune de ce beau Pleurotome, j'ai cru cependant devoir le faire con-
naitrc des a presenl, parceque je suis d'avis que cet echantillon offre deja
des caracteres distinclifs suffisants.
L'echanlillon n'est forme que de cinq tours et demi, tandis que la coquille
adulte pourra bien en avoir un nombre a peu pres double, 8 10, si je ne
me Irompc. II est fusiforme-turricule; a spire conoldale, obtusement pointuc
au sommet. La portion embryonale n'est composee que de deux tours. Le
premier, et la moitie du second sont tout-a-fait lisses; la surface dc l'a litre
moitie de ce dernier, n'est couverte que de quelques petites coles longiludi-
nales arquees et assez rapprochees les unes des autres; ensuite viennent
2i 3 lours moyens; ceux-ci et le dernier, offrent immediatement en dessous
des sutures, une partie deprimee, separee de la partie restante par un sillon
interrompu qui produit une sorte d'etranglement. La surface de cetle partie
deprimee, ainsi que celle des tours moyens et de la moilie superieure du
dernier tour, est ornee de plusieurs plis longitudinaux, coupes par des sillons
transversaux. A la surface du cinquieme, on compte une douzaine de ces
plis longiludinaux; ceux-ci sont fortement saillants et sinueux, comme geni-
cules vers le tiers inferieur des tours moyens, et sont accompagnes de lignes
9*
I '2 UECHERCHES PALEONTOLOGIQUF.S SUR LE
d'accroissement encore plus forlemciU courbees. Le dernier tour de I'echan-
tillon, est ventru dans sa moitie superieiire; il se tennine par un canal pas-
sahlemenl court et assez epais. Le canal et la parlie en penlc de ce lour,
sont couverls de c6tes transversales Ires-minces. A la surface du canal ces
cotes sont Ires-rapprochees les unes des aulres. La Louche est ovale-allongee;
son Lord droit parait avoir et6 Irancbanl, et d'apres la direction des lignes
d'accroissemcnt qui couvrenl les trois derniers tours, ce bord est creuse, dans
sa moitie superieure, d'un sinus asscz large et tres-profond. La columelle
nVsl recoti vcrlo <|ii<> d'une lame fort mince.
Dimensions. La longueur de lY'chanlillon esl de 5,75 m.m. et sa plus grande
largeur de 2,50 m.m.
Rapports et differences. La partie que nous connaissons de cette espece se
rapproche, par plusieurs de ses caracteres, de la Pleurotoma Zehncri HORN. *
dc Baden pres de Vienne. Elle se distingue cependant parfaitement de celle
dernierc. Elle differe essentiellement de cetle espece Miocene: 1. par sa
forme generalc moins grele et des dimensions proportionnellement plus fortes;
2. par ses plis longitudinaux plus saillants ct plus fortement sinues; 5. par
son canal relativcment plus long, et 4. par la portion deprimee qui borde
la parlie superieure des tours, plus large et couverte, comme ces derniers,
de sillons transversaux.
J'ai dedie celle espece au Dr. HORNES, Ic savant Auteur du magnifiquc
ouvragc sur les fossilcs du Bassin tertiairc de Vienne.
Giscment et localiles. L'unique echanlillon connu fait parlie du Musee
Geologique de Harlem. II a ele recueilli dans la couche a Peloncles de 1'etage
inlV'rieur du systemc Bupelien de Vliek.
\\. BUCCINUM THIERENSI n. sp.
PI. I, fig. 14, ac.
La parlie embryonale de ce beau Buccin esl un pen usee dans lous les
echantillons, que j'ai a ma disposilion. Elle esl conique et parait n'etre for-
mee que de 2 2i lours lisses; ensuite viennent 3 51 lours moycns; le
premier legeremenl el les suivanls assez forlement convexes. Ces lours sonl
separes entr'eux et du dernier, par une sulure faiblement, mais pourlanl bien
HOKSES 1857. Mollutken des lerliarbcckens von Wien. Erste Band, pag. 633, taf. 52, fig. 10 n, h.
TERRAIN TERTIAIRE DU LIMBOURG NEERLANDAIS. 15
dislinclement, canaliculee. La surface du premier tour moyen offre 7 gros-
ses coles longiludinales arquces sub-sinueuses. Le nombre de ces c6tes aug-
menle graduellcrnent dc une a deux, (generalement de deux), a ia surface de
chacun des tours suivanls et s'eleve (dans les echantillons parfaitement adul-
tes), a 12 14 a. la surface du dernier tour. Celui-ci, dont la hauteur depasse
de beaucoup cello de la spire, est fortement renfle. Sa partie ventrue se
raltachc par une penle assez-rapide a la crete produite par les accroissements
successifs de I'entaille inferieure. Tout pres de la suture, les cotes longilu-
dinales sont coupees par deux sillons transversaux assez profonds et constam-
inent bien marques; la parlie inferieure en pente du dernier tour, est ornee
de plusieurs lignes creuses et de cotes alternativement plus fortes. La crele
inferieure est couverte de lames d'accroissement bien apparentes, et est limi-
toe du cole superieur, par une arete saillante. Le bord externe de la bouche
est assez mince et tout-a-fait lisse a son cote interne. La lame columellairc,
qui est passablemcnt epaisse, recouvre une assez grande etendue de la colu-
melle et du bord superieur de la bouche.
Dimensions. L'echanlillon figure de ma collection a 28 m.m. de longueur.
Sa plus grande epaisseur est de 16 m.m.
Rapports ct differences. Le Bitccinum Thierensi se rapproche du B. Gos-
sardi NYST *, qui sc trouve avec lui dans les memcs couches tertiaires. II
offre cependant des caracleres constants par lesquels il s'en distingue bien
nettement. 11 en differe d'abord par sa forme plus raccourcie; par ses tours
de spire plus fortement ventrus, et non deprimes en dessous des sutures; par
ses cotes longitudinales en general plus fortes et moins obliques; par la levre
gauche de la bouche plas epaisse, et enfin, par le manque total de stries
transversales proeminent.es a la surface de la partie mediane des tours. Le
Bucc. sulurosurn NYST f est une espece bien dislincte, dont malheureuse-
ment il n'a ete donne jusqu'ici qu'une description insuffisanle, et une figure
si mauvaise, qu'il reste douteux pour moi, si celle-ci a ele faite ou non sur
un echantillon use de mon B. Thierensi. Le B. suturosum (c'est-a-dire Pes-
pece que je comprends sous ce nom) differe du B. Thierensi, par sa forme
beaucoup plus grele; par la hauteur de sa spire egale a ou un peu plus
* H. NYST. 1843. Description des coquilles et de Polypiers fossiles des terrains lertiaires de la
Bclgique, page 578, PI. XLIII, fig. 15.
t H. NYST, 1843. Ibidem, page 579, PI. XLIII, fig. 16.
14 RECIIEIICUES PALEOINTOLOGIQUES SUR LE
Brando. ((iic colic du dernier tour, par ses sutures plus prolbndement canali-
ruli-es et par ses tours lisses ct sans trace de cdtes longiludinales.
Observation. J'ai dedie cetle belle cspece a M. F. THIERENS, qui en a fait
la decouverte dans le Limbourg Neerlandais.
(liscment et localiles. Ce Buccin n'a ete trouve jusqu'ici dans le Duclit'-
do Limbourg quo dans Tetage infericur du sysleme Rupelien DUM. (coucbe
a Nuctila Lyelliana) a Vliek. Je le possedais depuis longtemps de cetle rneme
eouche, ainsi que des sables a Petoncles du meme elage du systeme Rupelien
de Bergb en Belgique. L'echanlillon figure provicnt de cette derniere localilc.
12. ODONTOSTOMA PYRAMIDALE n. sp.
PI. I, fig. 15, a c.
Coquille assez epaisse, allongee-conoi'dale, lurriculee, formee de 9 lours
aplatis, lisses, et separes par des sutures bien dislincles; le sommet de la
spire est obtusement pointu. Celle-ci commence par une portion cmbryonale
formtic de deux tours, ensuite viennent 6 tours moyens, lous a peu pres plus
de deux fois aussi larges que hauls; le dernier lour est subanguleux au mi-
lieu. La bouche aflecle une forme ovale-subletragonale; son bord droit est
assez mince, presque tranchant, et tout-a-fait lisse du cole inlerne; la co-
lumellc el toule la partie superieure dc la bouclie, sont recouverles d'une lame
bien dislincle, qui cache un ombilic tres-etroil et qui porle au milieu un pli
ilontiformc aigu et Ires-gros.
Dimensions. L'echanlillon figure a 5 m.m. de longueur; sa plus grande
paisseur esl de 1,75 m.m. La hauleur de sa bouche n'esl que de 1,5 m.m.,
oe qui fait T Vff de la longueur lolale de 1'echanlillon.
Rapports et differences. Cetle espece esl voisine de V Odonlostoma plicalum *.
Elle se distingue bien nettement de cette derniere par sa forme plus allon-
gee, par sa spire formee d'un nombre de tours plus grand, par ses tours de
spire proportionnellement plus etroits et surtout par le manque lolal des plis
au c6te inlerne du bord droit de la bouche, sur la presence desquels le nom
de plicatum a ete fonde.
Gisement et localitc's. Get Odontostoma semble etre forl rare. Je n'en ai
Turbo plicattu MONTAGUE, 1803. Testacca Britannica, pag. 325, Tab. 21.
TERRAIN TERTIAIRE DU LIMBOURG NEERIANDUS. l."
trouve qu'un seul echantillon dans le sable a Petoncles de Vliek, dans le Lim-
bourg Neerlandais. Pendant mes longues recherches dans le sable a Peton-
cles de Bergh, en Belgique, je n'en ai recueilli que trois' echantillons, dont
le plus complet et le mieux conserve, est celui, qni a etc figure.
15. ODONTOSTOMA SEMPERl n. sp.
PI. II, fig. 1, a-c.
Coquille tres-petite, ovale, altenuee au sommet, et formee de 4 5 tours.
La portion cmbryonale a une forme conoi'dale et se compose de lj a 2 tours
lisses; les lours moyens, au nombre de deux seulement, sont deprimes, tres-
faiblement con vexes; le dernier tour est renfle, legerement deprime dans sou
tiers superieur, et sa hauteur depasse celle de la spire. Les tours moyens et
le dernier sont lisses, ou plutot Ton n'y apercoit que des lignes longitudi-
nales d'accroissement, qui deviennent un peu plus apparentes vers la base,
a cofe de la columelle. Tous ces tours sont separes par une suture canali-
culee, bien distincte. La bouche est obliquement ovalaire, pointue a son ex-
tremite superieure; le bord droit est tranchant et offre au cote internets G
plis, ou plutot des bourrelets, qui ne s'etendent pas jusqu'au bord externe.
Le bord columellaire est recouvert par la Icvre gauche, d'ou resulte que la
coquille semble etre ombiliquee.
Dimensions. La hauteur de rechantillon figure est de 5 m.m., sa largeur
de 1,75 m.m. La hauteur du dernier tour depasse celle de la spire.
Rapports et differences. Cette espece a des rapports avec la sutvante; mais
s'en distingue nctlement par sa forme plus allongee, par sa spire composee
d'un tour de plus et surtout par les bourrelets transversaux, qui s'elevent sur
le bord interne de la levre droite de sa bouche.
Gisement et localitcs. Get Odontostoma semble etre extremement rare. II
n'en a ete trouve jusqu'ici, a ma connaissance, qu'un seul echantillon dans
la couche a Petoncles de Vliek, cinq dans la meme couche de Bergh, et deux
dans le sable glauconifere de 1'etage inferieur du systeme Tongrien a Gri-
rnittingen, pres de Vliermael.
14. ODONTOSTOMA NYSTI n. sp.
PI. H, fig. 2, a c.
Cette espece ressemble beaucoup a la precedente; elle en differe cepen-
RECIIERCIIES PALEONTOLOGIQUES SUR LF.
as-soz, jc pcnse, pour devoir etrc regardee comme dislinclc. Sa fonm-
d'ahord est proportionnelloment bcaucoiip plus raccourcie; avec des dimen-
sions semblablcs, ellc n'est formee que de qua Ire tours relalivcment plus lar-
ges; les caractercs de sa bouche enfin, la font distinguer au premier abord.
Cclle-ci est bcaucoup plus etroilc, obliqucment leliagonale; clle se lerininc
superieurement on un angle bion plus aigu, et sa levrc droile, au lieu de
presenter a son c6te interne des bourrclels transversaux, offre, un pen en
dessous dc son bord tranchant, un bourrelet longitudinal, par Icquel ellc est
relrecie d'une maniere remarquable.
Dimensions. L'echantillon figure a 5 m.m. de longueur, sur 1,8 m.m. d'e-
paisseur. La hauteur du dernier tour est a peu pres de 1,8 m.m.
Giscment et localiles. L' Odontostoma Nysti se trouve dans la couche a
Petoncles de Vliek, dans laquelle il a ete decouvert par Mr. THIEREPJS. II
>i> Irouve egalement en Belgique, dans la meme couche tertiaire a Bcrgh. Je
nc possede de cette derniere localite qu'un seul echantillon, un peu plus petit
que celui de Vliek. L'echantillon trouve a Vliek, fait partic du Musee geo-
logique dc Harlem. C'cst celui-ci, qui a ete figure.
I.V TURBONILLA SANDBERGERI n. sp.
PI. H, fig. 3, ac.
Coquille allongce-conoidale, sub-turriculce, formee de 8 9 tours aplalis,
lisses, mais peu luisants; separes par des sutures pen profondcs et pourtant
bien dislinclcs. La spire est obtusement pointue; les six tours moyens sont
a pen pres deux fois aussi larges que hauls; le dernier occupe plus du tiers
de la hauteur totale de la coquillc. La bouche est obliquement letragonale;
son bord droit est simple et mince; tandis que la levre gauche, qui poiie a
son exlremite superieure un pli peu epais, recouvre la columelle. Cette der-
niere est presque droite.
Dimensions. L'echantillon figure a G m.m. de longueur, sur 2 m.m. d'epais-
seur. La bouche a 1,25 m.m. de hauteur. La hauteur du dernier tour de-
passe le tiers de la hauteur totale.
Rapports et differences. Elle se distingue au premier abord de la suivantc
par sa forme generale, par un nombre de tours moins considerable, par une
epaisseur plus grande, ainsi que par ses tours plus deprimes et separes par
des sutures moins profondes.
TERRAIN TERTIAIRE DU L1MBOURG NEERLANDAIS. 17
J'ai dedie cctte Turbonille a M. Ic Dr. FRIDOLIN SANDBERGER, qui public
en cc moment un ouvrage important et d'une execution superieure sur les
coquilles du Bassin tertiaire de Mayence.
Gisement et localites. Cette Turbonilla est tres-rare a Vliek (Limb. Neerl.),
ainsi qu'a Bergh et au Vicux-Jonc (Limbourg Beige). Elle se trouve dans
la couche a Petoncles de 1'etagc inferieur du systeme Rupelicn DUM. (Oligo-
cene inferieur Beyr.).
10. TURBONILLA TURR1CULATA n. sp.
PI. II, fig. 4, a c.
TORNATELLA SPINA NYST, 1843. Description des coquilles et
dcs polypiers fossiles des terrains tertiaires de la Belgique,
pag. 428 (mais pas figure 56 de la Planche 57, ni Auri-
cula spina DESH.).
La coquille de cctle espece est turriculee, tres-allongee; elle est lisse et
luisante et se compose de 11 12 tours. Deux a trois de ces tours forment
la partie embryonale, qui est obtusement pointue; les 8 9 tours moyens
sont deprimes, faibloment convexes et separes par une suture assez profonde,
bien distincte; le dernier tour est presque 1 fois aussi baut quo 1'avanl-
dernier. La boucbe est tres-petite; elle est obliquement tetragonale, son bord
droit est simple, presque tranchant; la levre gauche est fortement repliee sur
la columellc; cclle-ci est droile, et le pli de sa partie superieure assez gros.
Dimensions. La longueur du plus grand echantillon que je connais est de
(5,5 m.m , sa plus grande epaisseur de 1,5 m.m. Le dernier tour occupe a
peu pres | de la longueur totalo de la coquille.
Rapports et differences. Elle a beaucoup de rapports avec la Turbonilla
spina DESH. sp. * du calcaire grossicr du Bassin Parisien. D'apres la descrip-
tion ct les figures qui ont etc donnees par 1'excellent Auteur Francais, celle-ci
differe essentiellement de la notre, par sa forme encore plus grele. Sur une
longueur moindre elle est formec d'un nombre de tours encore plus considerable.
Observation. L'espece que je viens de decrire est la meme que celle qui
a etc decrite en 1845 par Mr. H. NYST, a la page 428 de son ouvrage sur
* DESHATES, 1824. Description des coquilles fossiles des environs de Paris, Tome second, page
71, pi. VIII, fig. 10, 11.
10
NATUCRK. VEIUI. DER KONINKL. AKADEMIE. DEEL V1J.
18 RF.CIIF.RCIIES PALEONTOLOGIQUES SUR LE
les coijuillcs et les polypiors Icrtiaircs do la Belgique ct quc cct autcur a
rapporlee a tort a la Turbonilla spina de Mr. DESHAYES. La ligurc qui a
I'll- duiiiifo par Mr. NYST, n'ayant pas etc faite d'apres un ochanlillon de
Klein-Spauwen, on du moins no representanl aucuncmcnt 1'cspecc dc Kloin-
Spauwcn, jo pcnso qu'il cst absolument impossible dc lui conscrvcr Ic noin
de Nystii, fonde par ALC. D'ORBIGNY en 1852, avec la seule citation de la
ligurc tout-a-fait incorrectc de 1'ouvrage do Mr. NYST.
Giscment et localitis. Jc n'ai Irouve" qu'un fragment de cette especc dans
la coucho a Petoncles de Vliek. Elle se trouve en Belgique dans la memo
couche du syslemc Rupelien (DuM.) a Bergh, pros de Klein-Spauwen, ainsi
qu'au Vicux-Jonc et a Looz. Elle semble elrc cxlremement rare dans tonics
ces localitds. Je dois a 1'obligeance dc Mr. le baron FERD. DE FRAIVCQ, un
ocliantillon de la memo espece provenant dcs sables superieurs de Fontaine-
bleau et recueilli a Jeurre pres d'Etrecby.
La collection du Musee geologique a Harlem, celle de Mr. 0. SEMPER a
Altona, celle de Mr. NYST a Anvers, celle de Mr. TIIIERENS et la mienne.
17. TURBONILLA LAEV1SSIMA BOSQ.
PI. II, fig. 5, a-c.
TORNATELLA ACICULA NYST, 1845. Description des coquilles
et des Polypicrs des terrains tertiaires dc la Belgique, p. 427
(non LAMARCK nee DESHAYES).
TURBONILLA LAEVISS1MA BOSQUET, Maio 1852, apud LYELL.
On the tertiary strata of Belgium and French Flanders, in
the Quaterly Journal of the Geological Society of London
for August 1852, vol. VIII, pag. 315.
AONIS ALC. D'ORBIGNY, Dccembro 1852. Pro-
drome de Paleontologie stratigraphique universelle, vol. HI,
pag. 5, N'. 70.
Coquille turriculee, subcylindrique, a soinmet obtuscmcnt pointu; composec
de 8 9 tours lisses et luisants. La portion embryonale, formee de 2 !>
tours, est conoidale; le premier de ces trois lours cst constarnment recourbe
en dedans; les 5 6 tours moyens, qui sont plus larges que hauls, sont for-
lement deprimes, a peine convexes, et separes par des sutures pen profondes.
TERRAIN TERTIA1RE DU LIMBOURG MERLANDA1S. 19
L'ouvcrlure est ovale, pointuc a son extremite superieure; sa levre droite est
mirice, et Ic pli columellaire tres-saillant.
Dimensions. Longueur 4,25 m.m., epaisseur 1,1 m.m. Le dernier tour oc-
cupe un pen plus des r* tie la longueur totale. La hauteur de la bouche de-
passe un tant soil pen le quart de la hauteur lotale de la coquillc.
Observations. II m'a etc absolumcnt impossible de voir, meme a 1'aide d'une
forte loupe, les stries transversales, dont parle Mr. NYST, dans la description,
qu'il donne de cette espece: Je n'y apercois quo des stries longitudinales
d'acci'oissement a pcine perceptibles.
J'ai cru devoir donner de nouvelles figures de cette Turbonilla, parceque
celles, qui ont etc donnees dans 1'ouvrage cite de Mr. NYST, sont tout-a-
fait inexacles.
Rapports et differences. Elle a beaucoup de rapports avec la Turbonilla
acicula LA.MAKCK. sp. Elle differe essentiellement de 1'espece du calcaire gros-
sicr par une taille moins grande, par sa spire bien raoins pointue et surtout
par sa surface tout-a-fait depourvue dc lignes transversales.
Gisemcnt et localites. Cette Turbonilla cst moins rare, que les deux pre-
cedentes. Elle se rencontre dans le Limbourg Neerlandais a Humkoven, a
Vliek, a Klimmen, au Goudsberg (commune de Hulsberg) et au Krekelenboscb,
(commune de Schin-op-Geul). Dans le Limbourg Beige ellc a ete rccueillie
dans le sable a Petoncles a Bergh, au Vieux-Jonc et a Looz, ainsi que dans
Fetage superieur du systeme Tongrien au Vieux-Jonc, a Herderen et a Henis.
La collection du Musee geologique a Harlem, celle dc Mr. H. NYST a An-
vers, celle de Mr. 0. SEMPER a Altona, celle de Mr. THIERENS et la micnne.
18. BULLA LAUBENTI n. sp.
PI. II, fig. 6, a c.
Coquille ovale oblongue, lisse; creusee vers la base de quelques stries
transversales extremement fines; a spire ombiliquee, incluse, a ouverture li-
neaire, tres-etroite, dilalee a la base; a columelle offrant un pli tres-appa-
rent, et recouverle par la levre gauche, qui est etroite et fort mince.
Dimensions. Longueur 4,1 m.m., cpaisseur 2 m.m.
Rapports et differences. Elle a la forme ct les caracteres exte"rieurs de la
Bulla angistoma DESK. * de 1'etage Eocene du Bassin Parisien, niais s'en
* DESHAYES 1824. Description des coquilles fossiles des environs de Paris, Tome second, p. 41,
pi. V, fig. 29, 30.
10*
20 RECHERCHES PALEONTOLOGIQUES SUR LE
dislingue au premier abord, par sa spire incluse, et par le pli de sa colu-
melle. Elle differe de la Dulla conulus DESH. * du meme etage terliairc: par
sa forme ovale, par le pli de sa columelle plus prononce et par le manque
absolu de sillons transversaux dans les deux tiers superieurs de sa surface.
J'ai dedie celle espece a mon ami, Mr. CH. LAURENT, qui a decouvert
avec Mr. VAN RIEMSDIJK dans le Limbourg Neerlandais, 1'etage inferieur du
systeme Rupelien, duquel provient 1'unique echantillon connu de notre pays.
Gisement ct localites. Dans le Limbourg Neerlandais il n'a etc" trouvejus-
qu'ici, comme je viens de le dire, qu'mr seul echantillon incomplet de la D>
Laurenti. Get echantillon a ete recueilli a Vliek dans la couche a Potencies
de 1'etage inferieur du systeme Rupelien. Depuis longtemps je possede qua-
tre individus de la meme espece qui proviennent de la meme couche ter-
liaire, de Bergh en Belgique. (Test d'apres un de ces derniers, que mes des-
sins ont ete fails.
10. DENTALIUM SANDBERGERl n. sp.
PI. II, fig. 7, a-d.
Coquille tres-allongee, arquee, tres-mince en arriere et se lerminant pres-
que en pointe; a surface lisse et luisante, a stries d'accroissement a peine
perceptibles avec le secours d'une forte loupe; clle est fendue dans la partie
mediane posterieure de sa face dorsale, c'est-a-dirc a son cote convexe; la
fente est assez profonde et tellement elroile, qu'elle est presque impercep-
tible a Toeil nu; 1'ouverture anterieure est oblique, completement circulaire
el a bords tres- minces.
Dimensions. L'echantillon figure a 35 m.m. de longueur; son plus grand
diametre est de 5,25 m.m.
Rapports et differences. Le Dentalium Sandbergeri est voisin du D. fissura
de LAMARCK -f. II ne differe essentiellement de celui-ci, que par sa forme
un peu plus arquee et approchant un peu plus de la forme conoidale, ct par
son entaille posterieure plus profonde et plus etroite.
Gisement et localites. Je n'ai trouve jusqu'ici dans le Limbourg Neerlan-
* DESHAYES, 1824. Detcription det coquilles fossilet des environs de Paris, Tome second, p. 41,
pi. V, fig. 3436.
f LAMARCK, 1818. Hisloire naturelle des animaux sans vertebres, Tome 5, pag. 346, N. 20.
DESHAYES, 1825. Anatomie et monographic du Genre Denlale, pag. 48, pi. IV, fig. 6, 7.
TERRAIN TERTIAIRE DU L1MBOURG NEERLANDAIS, 21
dais qu'un fragment de ce Dentalium. Cc fragment a etc recueilli dans la
couche a Petoncles a Vliek. L'echantillon figure de ma collection provient de
la memo assise du systeme Rupelien de Bergh pres de Klein-Spauwen. Cette
espece semble etre fort rare dans les deux localites, dans lesquelles elle m'est
connue.
Ordo II. C OR MOP O DA.
20. ASTARTE PSEUDO-OMALII BOSQ.
PI. II, fig. 8. a, b et 9, a, b.
ASTARTE OMAL1I? NYST pro parte 1843. Coq. et Polyp, des
terrains tertiaires de la Belgique, pag. 152.
PSEUDO-OMALII BOSQUET, 1855, apud D'OMALIUS
in Abrege de Geologic, pag. 586.
Coquille assez fortemcnt renflee, obliquement ovale-trigone, sub-cordiforme,
tres-inequilaterale; le cote anterieur occupe a peu pres le quart de la lon-
gueur totale; ce cote est obtus et le posterieur est obscurement tronque,
sub-anguleux. Le Lord inferieur n'est quo tres-faiblement arque. La surface
est couverte de plusieurs grosses cotes, paralleles aux bords inferieur et pos-
terieur. Ges cotes, dont la largeur egale celle des interstices qui les separCnt,
disparaissent presque totalement sur le tiers inferieur des vieux individus. Les
crocbets paraissent avoir ete pointus, ils sont caries dans tous les echantil-
lons, que je connais; et sont obliquement diriges en avant, au-dessus d'une
lunule ovale, attenuee inferieurement, assez profondement excavee et bien net-
tement circonscrite. Le corselet est lisse; il est profondement concave au
centre, tres-distinct et de forme lanceolee. Les nymphes sont proportionnel-
lement plus courtes que dans rAstarle Omalii. La charniere se compose dan?
la valve gauche de deux dents tres-fortes, separees par une fossette assez
profonde, servant a recevoir la dent de la valve opposee. Les deux impres-
sions musculaires sont assez profondement excavees, et de forme ovalaire. La
posterieure est a peu pres d'un tiers plus grande que 1'anterieure. Le labre
est crenele dans loute sa longueur.
Dimensions. L'echantillon parfait qui a etc figure, pi. II, fig. 8 a 15,50
m.m. de longueur, autant de largeur, et 8 m.m. d'epaisseur. D'apres les
2*2 UKCHERCIIES PALEONTOLOGIQUES SUR LE
(cliantillons connus il somble, <|uc eo sont la Ics plus lories dimensions,
iju'clle atteint.
lltil>l>orts ct differences. L'Aslarlc psciido-Omalii (iuoi(jue bien voisinc de
rAstarle Omalii LAJONCK * par scs carac lores gcncrauv, el surlout par la
grando largcur du Lord cardinal, me scmble cependant devoir en etrc dislin-
guee. Elle en diflerc |>ar sa taillc beaucoup plus pelilc, par sa forme plus
raecourcio, ct surlout par Ics lories cotes concenlriques, qui ornent les deux
liers de la surface de ses valves.
Giscmcnt ct localitis. Dans le Limbourg Neerlandais jc n'ai trouve jus-
qu'ici qit'un fragment de cctle Aslarlc. Ce fragment a ete recueilli dans la
coucbe a Peloncles de 1'etage inferieur du sysleme Rupolien a Vliek. J'en
possede depuis longlemps deux valves so panics, que j'ai rec.ueillies dans le
sable a Potencies de Bergb. Mr. THIERESS en a trouve pareillemenl deux
ecbantillons: Tun bivalve (celui que j'ai figure pi. II, fig. 8) dans le sable a
Petoncles de Bcrgh, el une valve gaucbe dans la parlie superieure de 1'elago
inferieur du systeme Tongrien a Grimiltingen. II y a lieu de croire que c'est
la memo espcce, qui a ete trouvee par Mons. H. NYST, dans le meme ter-
rain (couchc a Peloncles?) a Looz, et qui a e"te rapportec par 1'Auleur Beige
a VAst. Omalii, especc Miocene du crag de la Belgiquc el de 1'Anglelorre.
21. SYNDOSMYA PAPILLATA n. sp.
PI. II, fig. 10, a c.
Coquillc ovale-oblongue, Iransversc, sublrigone, tres-mince et tres-fragilc;
elle est faiblement convcxe; sensiblement in^quilaterale; le cole anlerieur est
demi-ovalaire, il est d'un tiers environ plus long que le posterieur. Le bord
superieur est parlage en deux parlies presque egales en longueur par le cro-
cbet, qui est assez petil el faiblement proeminenl; la parlie posterieure du
bord superieur est beaucoup plus declive que 1'anterieure; ces deux parties
du bord se raccordent sous un angle ouvert. Le bord inferieur est assez for-
tement arque en avant; il esl presque droit dans sa moitie poslerieure, et
cetle moitie, qui est faiblement excavee pres de son exlremite poslerieure,
est presque parallele a la moilie anlericure du bord superieur. Le cole pos-
" LA JONKAIRE, 1823. Notice gcologique sur Ics environs d'Anvcrs, Tome I, pag. 129, pi. VI.
fig. 1 a, b. c. (Dans le Tome I des Mcmoiret de la. Societe d'histoire nalttrelle dc Paris).
TERRAIN TERTIAIRE DU L1MBOURG NEERLANDAIS. 23
tericur est subtriangulaire; il se tcrmino en un bee obtuscment pointu, ou
en un angle au'juel aboutit une arete decurrenlc, qui part du crochet. La
surface des valves offre des stries transversales d'accroissement irregulieros
et peu apparenles; dans la moitie inferieure quelques-unes de ces stries de-
viennent un peu plus distinctes ct dans les interstices s'elcvent de tres-petits
tuberculcs comprimes, oblongs et irreguliercment epars. La charniere n'est
pas aussi etroite quo celle de ma Syndosmya fragilis *. Dans la valve droite
elle se compose de deux petites dents cardinales subegales, faiblement diver-
gentes et no laissant entre elles qu'un espace fort petit pour recevoir la dent
unique de la valve opposee. La fossette du ligament est assez large; elle est
obliquement triangulaire, tres-dilatee a la base et s'incline assez fortemcnt
dans 1'interieur des valves. Les dents laterales sont longues et etroites; la
posterieure est plus courte quo 1'antericure. L'impression musculaire ante-
rieure est ovale-allongee subpiriforme, la posterieure est arrondie-subsemilu-
naire. Le sinus de 1'impression palleale est peu distinct dans I'echantillon
figure; il remonle a peu pres aux 1 de la longuq^r totale de la valve.
Dimensions. L'echantillon figure a 12 m.m. de longueur, sur 0,75 de
largeur.
Rapports et differences. Cette cspece a les plus grands rapports avec la
Syndosmya clcgans DESK, f de Jeurrc en France. D'apres les figures et la
description du celebre Auteur francais, cette derniere ne semble differer essen-
tiellement de la notre, quo par ses valves proportionnellement plus etroites;
par le bord superieur separe par le crochet en deux moities, qui se raccor-
dent sous un angle beaucoup plus ouvert; par le bord inferieur fortement
arque, et surtout par la surface de ses valves couverte de nombreuses stries
et de lames transversales; ainsi que par le cole postcrieur tout-a-fait convert
de granulations oblongues, qui manquent totalement a la surface du cote an-
terieur.
Gisement et localites. Cette belle Syndosmya est tres-rare. Je n'en connais
jusqu'ici qu'un seul echantillon enticr, qui provient du sable a Petoncles de
Bergh en Belgique. Pendant mes nombreuses recherches dans le sable de cette
* J. BOSQUET, 1851. Bulletins de I' Academic royale de Belgique, Tome XVIII, N J . 9, png. 305.
f DESHAYES, 1857. Description des animaux sans verlebrcs du Bassin de Paris. Supplement,
ie livraison, pag. 303, pi. XVI 1 "', fig. 4-6.
l l\ RECHERCHES PALEONTOLQGIQUES SUR LE
localite jc n'y ai recueilli, outre I'ecliantillon figure', qu'unc trenlaine dc frag-
ments. Dans le sable argilcux a Petoncles clc Vliek nous n'avons trouve pa-
reillement que dcs fragments, qui y sont associes avec ceux de ma Syndos--
mi/a frayilis.
Classis III. FORAMINIFERA,
Ordo I. AGATHISTEGIA.
'22. TRILOCULINA 1IARTINGI n. sp.
PI. H, fig. 11, a c.
Coquille ovale-subrhomboidale, obtusement anguleuse aux extremites; apla-
tie d'un c6te" et tres-convexe de 1'autre. La loge laterale prosente un con-
tour ovale-elliplique; elle^st tres-convexe ct sub-anguleuse au milieu, d'ou
rosulte que la coquille offre une section Iransversale a contour trigonal. Au
cote aplati, la suture est assez profonde et sensiblement sinucuse. La bouche
est petite, ovale-elliptique ct ofTre une dent simple et fort courlc; clle est
un peu oblique et opposee a ravant-derniere loge. La coquille est blancbatre,
lisse, luisante et assez solide.
Dimensions. Longueur 1,1 m.m.; largeur 0,75 m.m.
Rapports et differences. Quoique cettc cspecc se rapproche dc la Trilocu*-
Una consobrina D'ORB. * par la forme de sa bouche et par sa section trans-
versale a contour subtrigone, elle s'en distingue au premier abord par sa
forme generale.
J'ai dedie celle Triloculina au Prof. Dr. P. HARTING, auleur d'un ouvragc
inleressant, sur la conformation et la repartition gcograpbique et geologique,
des Polypiers, des Diatomees et des Foraminiferes.
Gisement et localites. Je ne connais jusqu'ici que deux echantillons conir
plels de cette espece. Us provicnnenl de la couche a Petoncles de 1'etage
inferieur du sysleme Rupelien a Vlick.
ALC. D'ORBIONY, 1846. Foraminiferes fossiles du Bassin lerliairc dc \'tcnnc, pag. 277, pi. XVII,
fig. 1012.
TERRAIN TERTIAIRE DU LDIBOURG NEERLANDA1S. 25
25. TRILOCULINA BORNEMANNI n. sp.
PI. II, fig. 12, ac.
Coquille ovale-elliptique, obtuscment anguleusc aux extremites; Ircs-con-
vexe, et oflrant une section transversale a contour arrondi sub-trigone. L'avant-
derniere loge presente le long de sa lignc de jonction avec la loge mediane,
unc partie faiblcment proeminente; du cot< aplati du test celte meme loge
offrc un contour lanceole-rhomboidal. La derniere loge est tres-grande et for-
tement convexe. La bouche, qui est cntouree a 1'exterieur d'un rebord fai-
blement preeminent, est fermee en grande partie, par un grosse dent trigone
sub-semicirculaire; d'ou resulte que la portion qui reste ouverte, se presente
sous forme d'une fente en fer-a-cbeval. Les sutures, quoique peu profondes,
sont assez bien marquees. La surface du test est lisse et luisante, et pre-
sente, (de meme que 1'espece precedente) I'aspect de la porcelaine.
Dimensions. Longueur 1,6 m.m., largeur i?V m.m.
Rapports et differences. Cette especc, quoique voisine de la Triloculina in-
flata D'ORB. * du terrain Miocene des environs de Vienne, se distingue cepen-
dant neltement de celle-ci. Elle en differe essentiellement: 1. par ses dimen-
sions plus fortes, 2 Q . par la grandeur relative de sa derniere loge, 5\ par sa
section transversale a contour trigonal, et 4, surtout, par la forme et la
grandeur de la dent de la bouche. La Triloculina valvularis REUSS *j", qui
se rapproche de mon espece par la forme de sa dent buccale, s'en eloigne
par plusieurs caractcres et par sa forme tout-a-fait differente.
J'ai dedie cette espece au Dr. J. G. BORNEMANN, le savant Auteur de
la Faune microscopiqiic du Seplaricnthon de Hcrmsdorf pres Berlin.
Gisement et localites. Cette Triloculine semble etre fort rare. Elle n'a ete
recueillie que dans une argile sableuse, appartenant a l'etage superieur du
systeme Tongrien, au Goudsberg (commune de Hulsberg),
* ALC. D'ORBIGNV, 1846. Foramini feres du Bassin tcrliaire de Vienne, pag. 278, pi. XVII,
tig. 1315.
f EEUS=, 1851. Foraminiferen und Enlomoflraceen der Seplaricnthone der Umgcgend von Berlin
(in Zeilschrifl der Deutschcn geologischen Gcsellschaft, III Band, I Heft, pag. 85, Taf, VII,
fig. 56).
11
NATUURK. VEIUI. DER KOJilNKL. AIUDEMIE. DEEI. VII.
I 2(i UECI1ERCHES PALEONTOLOG1QUES SUR LE
VtiGtiTAUX.
llegio. THALLOPHYTA.
Sectio. PROTOPHYTA.
Classis et Ordo. CHARACEA.
24. CHARA SALTERI n. sp.
PI. II, fig. 13, a, b.
Cette espece ne peut, je pense, etre confondue avec aucune desesconge-
neres de 1'Epoquo tertiairc. Son fruit (la sculc partie qui nous est connue),
se rapproche un peu de celui de la Cham helicleres * BRONGW. 11 est pour-
tant bien distinct de celui de cettc derniere, tant par sa forme ovale-ellipti-
que, que par ses cinq valves spirales beaucoup plus etroites et formant un
nombre de tours plus considerable. On compte 10 11 tours dans notre es-
pece, tandis (ju'il n'y en a que 7 8 dans le fruit de la Chara helicleres.
Dimensions. L'echantillon decrit et figure a i$ de m.m. de longueur, sur
une epaisseur de 0^4 m.m.
J'ai dedie celte Chara a Mr. J. W. SALTER, Paleontologisle an Musee geo-
logique de Londres, qui a decrit plusieurs especes du genre Cham, du terrain
lertiaire de 1'Angleterre.
Gisement et localites. Je n'ai trouve jusqu'ici qu'un seul echantillon du fruit
de la Chara Salteri. II a etc recueilli dans une couche d'argile-sableuse blan-
chAtre, appartenant a I'etage superieur du systeme tongrien et retiree (a la
profondeur d'environ 66 pieds) d'un puits qui a etc fait en 1855 a Humko-
ven, dependence de la commune d'Ulestraten, dans le Limbourg Necrlandais.
* ALC. BnoNQSiART, 1822. Description giiologique da environs de Paris, pag. 401, pi. X,
fig. 8, ad.
TERRAIN TERTIAIRE DU L1MBOURG JJEERLANDA1S. 27
.EXPLICATION DBS PLANCHES.
P L A N C H E I.
SERPULA DISTORT A BOSQ., page 4.
Fig. 1. Echantillous de grandeur naturelle, adherents a, la face interne d'utt fragment
de Bucdnum gossardi NYST.
Fig. 2, a. Individu fortement grossi, vu en dessus.
b. Trait, indiquant la grandeur naturelle.
GALEOLARIA ACUTIROSTRIS Bosq., page 4.
Fig. 3, a. Fragment, fortement grossi, vu en dessus.
b. Trait, indiquant la grandeur naturelle.
MELANIA CABIN ATA BOSQ., page 5.
Fig. 4, a. Echantillon grossi au quintuple de sa grandeur naturelle, et vu du cote du dos.
b. Le meme echantillon, grossi de meme et vu du cote* de la bouclie.
c, Trait, indiquant la grandeur naturelle.
NEMATURA DUNKERI BOSQ., page 5.
Fig. 5, a. Echantillon agrandi, vu du cote du dos.
b. Le meme, vu du cote oppose.
c, Trait, indiquant la grandeur naturelle.
NEMATURA PUPA NYST. sp., pag. 7.
Fig. 6, a. Echantillon grossi au decuple de sa grandeur naturelle, vu du cote du dos.
b. Le meme, grossi de meme, vu du cote de la bouche.
c. Trait, indiquant la grandeur naturelle.
Fig. 7, a. Opercule fortement agrandi, vu du cote externe.
b, Le meme, grossi de meme et vu du cote interne.
NEMATURA BIDENS BOSQ., page 6.
Fig. 8, a. Echantillon fortement agrandi, vu du cote' du dos.
b. Le meme, grossi de m6me, vu du cote* de la bouche.
c, Trait, indiquant la grandeur naturelle.
11 *
28 IlECIIERCHES PALECKNTOLOGIQUES SUR LE
RISSOA BEYRICHI BOSQ., page 7.
Fig. 9, a. Echantillon fortemcnt grossi, vu du c6td du dos.
b. Le meme, grossi de meme, vu du cote oppose*.
c. Trait, indiquant la grandeur naturelle.
PLANORBIS SCIIULZIANUS BUNKER., page 8.
Fig. 10, a. Echantillon fortement agrandi, vu du cote' supe'rieur.
b. Le mSme, agrandi de meme, vu du cote inferieur.
c. Le meme, agrandi de meme, vu du cote de la bouche.
d. Trait, indiquant la grandeur naturelle.
SUCCINEA UBAGHSI BOSQ., page 9.
Kg. 11. a. Echantillon grossi, vu du cote* du dos.
b. Le meme, grossi de meme et vu du cote oppose".
c. Trait, indiquant la grandeur naturelle.
CYCLOSTOMA FRAGILE BOSQ., page 10.
Fig. 12, a. Echantillon un peu restaure, grossi et vu du cote du dos.
b. Le meme, 'grossi de meme et vu du cote' de la bouche.
c. Trait, indiquant la grandeur naturelle.
PLEUROTOMA HORNESI BOSQ., page 11.
Fig. 13, a. Jeune individu grossi an sextuple de sa grandeur naturelle et vu du cote"
du dos.
b. Le meme, grossi de meme et vu du cote oppose.
c. Trait, indiquant la grandeur naturelle.
BUCCINUM THIERENSI BOSQ., page 12.
Fig. 14, a. Echantillon faiblement grossi, vu dn cote du dos.
b. Le meme, vu du cote' de la bouche.
c. Trait, indiquant l.i grandeur uaturelle.
ODONTOSTOMA PYRAMID ALE BOSQ., page 14.
Fig. 15, a. Echantillon agrandi it 1'octuple de sa grandeur naturelle, vu du cote" du dos.
b. Le mSme, agrandi de meme, vu du cote de la bouche.
c. Trait, indiquant la grandeur naturelle.
TERRAIN TERTIAIRE DU L1MBOURG IVEERLANDA1S. 29
P L A N C H E II.
ODONTOSTOMA SEMPEEI BOSQ., page 15.
Fig. ], a. Echantillon grossi au decuple de sa grandeur naturelle, vu du cote du dos.
b. Le meme, grossi de meme, vu du cots' de la bouche.
c. Trait, indiquant la grandeur naturelle.
ODONTOSTOMA NYSTI BOSQ., page 16.
Fig. 2, a. Echantillon agrandi a, 1'octuple de sa grandeur naturelle, vu du cote du dos.
b. Le meme, grossi de meme, vu du cote oppose".
c. Trait, indiquant la grandeur naturelle.
TURBONILLA SANDBERGERI BOSQ., page 16.
Fig. 3, a. Echantillon grossi au sextuple de sa grandeur naturelle, vu du cote du dos.
b. Le meme, grossi de meme, vu du cote de la bouche.
c. Trait, indiquant la grandeur naturelle.
TURBONILLA TURRICULATA BOSQ., page 17.
Fig. 4, a. Echantillon grossi a 1'octuple de sa grandeur naturelle, vu du cote du dos.
b. Le meme, grossi de meme, vu du cote de la bouche.
c. Trait, indiquant la grandeur naturelle.
TURBONILLA LAEVISSIMA BOSQ., page 18.
Fig. 5, a. Echantillon grossi a 1'octuple de sa grandeur naturelle, vu du cote du dos.
b. Le meme, grossi de meme, vu du cot^ oppose.
c. Trait, iudiquant la grandeur naturelle.
BULL A LAURENTI BOSQ., page 19.
Fig. 6, a. Echantillon de ma collection, agraudi, vu du cote du dos.
b. Le meme, grossi de meme, vu du cote de la bouche.
c. Trait, indiquant la grandeur naturelle.
DENTALIUM SANDBERGERI BOSQ., page 20.
Fig. 7, a. Echantillon de ma collection, de grandeur naturelle.
b. Le meme echantillon grossi au double, vu par le cote lateral.
c. Portion posterieure du meme Echantillon, grossie au quadruple de sa grandeur
naturelle, vue du cfite convexe ou du dos, pour montrer la fente.
d. Coupe transversale pres de 1'extremite anterieure, grossie.
50 RECHERCHES PALEONTOLOGIQUES SUR LE TERRAIN TERTIAIRE, ETC.
ASTAETE PSEUDQ-OMALII BOSQ., page 21.
Fig. 8, a. Eehautillon bivalve de la coll. de Mr. THIERENS, grossi et vu en dessus.
b. Trait, imliquant la grandeur naturelle.
Fisj. 9, a. Valve gauche de ma collection, grossie et vue du cote* externe.
b. La mfime, grossie de meme et vue du cote* interiu.
SYNDOSMYA PAPILLATA BOSQ., page 22.
Fig. 10, a. Valve droite de ma collection, vue du cote" externe et agrandie.
b. La meme valve agrandie de meme, et vue du cote interne.
c. Grandeur naturelle dc l'e"chantilloN.
TRILOCTJLINA HARTINGI BOSQ., page 24.
Fitf. 11, a. Echantillon fortement grossi et vu d'uu cote.
b. Le meme, grossi de meme et vu du cote opposi'.
c. Le meme, grossi de mfime et vu par 1'extremito nnu ricure.
TRILOCULINA BORNEMANNI BOSQ., page 25.
Fig. 12, a. Echantillon fortement grossi, vu par le cote.
b. Le meme, grossi de meme, vu du cote* oppose*.
c. Le meme, grossi de meme, vu par I'extre'mite' anterieure.
CHARA SALTERI BOSQ., page 26.
Fig. 13, a. Fruit fortement agrandi, vu de proftl.
b. Le meme, grossi de meme, vu par son extremite Him
.1 HIISIJL'KT, KiTlinrhrs pinniliiliiifiqiu-s s. I Icir. trrl.du Limbuur^.
6 15.
I). K,IX AKA1). V. \\KTKN SCH. AFD. NATinniK. D.VJ]
A.J #injrt in, lap.
r. -i . ^
4-
'-* a i
SL
J.BOSQUET, Rechmhei paleoiiloiiM^iijiii's s. I.IKIT. ini. du U
.......T.
B.
11.
13. b.
10.
12.
VEBH I) KOX.AKAD. V-WKTESSCH. API) XATTUK T) V1T
BESCHRIJVING EN AFBEELDING
VAN EEXEN
TE POMPEJI OPGEGRAVEN
M E N S C H E L IJ K E N SCHEDEL.
DOOR
w. VROLIK EN ,/. rjN DER HOEPED.
In de gewone vergadering der Natuurkundigc Afdeeling van de Koninklijke
Akademic van Wetenschappen werd ons opgedragen, om, uit onze vroeger
ingcdiende verslagen, do afbecldingcn toe te lichten, welke dc Afdeeling be-
sloot van dezen schedel te doen vervaardigen en in hare werken uit te geven.
Tcrvvijl AVI] ons van deze lastgeving kwijten, meenen wij te moeten her-
inneren, dat in de vergadering van den 23 sten April des jaars 1858, de Heer
VAN i)Eii BOON MESCH, onder vele andere voorwerpen, ter tafel hecft gebragt
eenen schedel, op den ll den October des jaars 1857, in tegenwoordigheid van
Z. K. H. den Prins van Oranje, te Pompeji opgedolven. Deze schedel gat',
na gehoord verslag van den eersten onzer, in de vergadering van den 25 ste "
Mei, aanleiding tot het besluit, dat aan Z. K. H. vergunning zoude worden
gevraagd tot nader onderzoek, beschrijving en afbeelding van dit merkwaar-
dig voorwerp. Deze vergunning werd met groote voorkomendheid en in den
ruimsten zin door den Prins gegeven. De verlichte Vorst had de goedheid
der Afdeeling te doen schrijven, dat de schedel ter beschikking van de Aka-
demie bleef, gedurende al den tijd, en tot zoodanig doel als zij zal noodig
achten, rekenende Z. K. H. zich hoogst gelukkig, iets tot bevordering der
wetenschap te hebben kunnen bijbrengen."
Na deze korte inleiding, welke de herkomst van dit voorwerp aanduidt en
12
JUTUURK. VERH. DER KOMISKL. AKADEMIE. DEEL VII.
i HESC11RIJV1NG EN AFBEELDING VAN F.ENEN
Icvcns den oorsprong doct kenncn onzcr beide vroegcre, rccds in dc Vcrslayen
fn Mededeclingen, D. VIII, bl. 159 en 214, uitgegeven verslagen, gaan wij,
onder verwijzing naar dc beide afbeeldingen, tot de beschrijving van den
schcdel over.
Bij de beschouwing blijkt, dat de schedel volkomen gaaf is, met uilzondc-
ring van eene beleediging aan hot achterste gcdeelle der regter helft van liet
voorhoofd en van eene breuk aan het regler kroonsgewijze uitsteeksel der onder-
kaak, beide vermoedelijk bij het opgravcn vcrkregen. In de bovenkaak zijn
tcr linkerzijdc eene onware kics, en ter regterzijde twee ware kiezen (dc
eerste en tweede) aanwezig. In de ondcrkaak zijn de twee middelsle en de
rogtcr buitenste snijtand en de voorsle onware maaltand ziglbaar; van vele
overige tandcn vcrtoonen zich gave kassen, maar, acblerwaarts in de onder-
kaak, blijken kiezen gedurende bet leven uitgevallen of op andere wijze ver-
wijderd te zijn; de tandkassenrand altbans is aldaar, vooral aan de linkcr-
zijde, op volledige wijze verdwenen. De tanden zijn volkomen gaaf, met
nilzondcring welligt van de eerste ware kies der regter helft van de onder-
kaak, welkc eene beginnende carieusc holte vertoont. Deze gaaf held der tan-
den en de vorm dcs schedels schijnen voor het vermoeden te pleiten, dat
hij is van een' man van middclbaren leeftijd (welligt tusschcn vecrtig tot
vijflig jaren).
De algemeene vorm is diegene, welken men aan de kortschedeligen van
RETZIUS (Brachycephalen) toekent. Het eigeolijke bekkeneel is zeer gewelfd;
voorhoofd en achterhoofd zeer breed; de kruin hoog en gelijkmatig vcrheven.
Tcr zijde bcschouwd, zoo als PI. I aantoont, is het niet te onlkennen, dat
den schcdel ecn gelukkig ont\vikkelde vorm eigen is. Dit gunstig oordecl valt
eenigzins weg, als men van boven at' of in zoogenaamd vogclpcrspectief zijuc
beschouwing voortzet, omdat zich alsdan asymmetrie openbaart, vooral zigtbaar
in mindcre welving boven, en mecrderc welving zijwaarts van de regter helff.
Het voorhoofd is regls iets of wat platter dan links. Van achteren en van
onderen doet de schedel zich voor, alsof hij van de regter- naar de linker-
zijde is verdrongen. Trckt men eene lijn aan de ondcrvlakte van den sche-
del, midden door het achtcrhoofdsgat naar voren door het verhemelte heen,
dan snijdt dcze lijn niet de ruimtc tusschen de beide snijlanden, maar die
tusschen den buitenstcn regler snij- en den hoektand; het ploegbeen, de vleu-
gelsgewijze uitsleekscls van het wiggebeen, en de verhemclle-beenderen zijn
eenigzins naar de linkerzijde verwrongen, en de verhemolte-platen slaan
TE POMPEJI OPGEGIUVEN MENSCIIELUKEN SCHEDEL. O
niet walerpas. Voorts verlooncn zich ook duidelijke sporen van ziekelijk lijden.
Deze zijn blijkbnar in de dicpte en in de talrijkheid der vaatkanalen aan de
binnenvlaklc des bckkcneels, in den gezwollcn toestand en in de verdikking
van vele aangeziglsbeenderen, vooral van de jukbeenderen, van den tand-
kassenrand dor opperkaakbeonderen en in bet drievlakkig aanzien van bet
kroonsgewjjze uitsteeksel dcr onderkaak. Voorts is ook eenige verdikking der
bekkeneelsbeenderen op bet gevoel niet wel te miskennen. Ware bet ver*
gund den scbedcl door te zagen, dan zoude bet voorzeker gemakkelijker val-
len, orn zich eenige meerdere zekerheid te verschaifen omtrent de dikte der
bekkeneelsbeenderen en bet gemis van diploe. De toevallige beleediging in-
tusschen met een scberp snijdend werktuig van bet voorhoofd geeft gelegen-
heid, om aldaar altbans dat gemis op te merken. Onderzoekingen, door den
eersten onzer in bet werk gesteld, en door zijnen zoon geboekt * en afge-
beeld, hebben gelcerd, hoe dat aanvullen en derbalve verdvvijnen van diploe
geschiedt. Eene sponsachtige opzwelling gaat vooraf en is derhalve de pri-
maire ziektetoestand, waarop later eene aanvulling volgt der beenmazen van
buiten naar binnen, door compacte beenzelfstaiidigheid.
Gewigtig ook is de opmerking, dat, behalve de beide schubnaden, geen
andere naad aan den schedel zigtbaar is; zij zijn zoo volkomen verdwenen,
dal alieen een geoefend anatoom hunne plaats zoude welen- aan te wijzen.
Eindelijk meenen wij met bet ziekelijk lijden in verband te moeten bren-
gen de aanmerkelijke zwaarte des schedels, als ook de afplatting en als ware
hot de indrukking der achterhoofds-geledingsknobbels. De wenkbraauwbogen
puilen sterk uit, de glabella daar tusschen is breed, de ruinate tusschen de
beide oogkassen groot; daarin echter zien wij geen bewijs van ziekelijk lijden,
maar veeleer bet eigenaardige van den vorm eens mannelijken schedels.
Als uitkomst onzer beschouwing, besluiteri wij, dat de te Pompeji opgegra-
ven schedel lijdt aan die ziekelijke beenverdikking, welke men heden osteo-
sclerosis beet, en als uitgang eener voorafgaancle osteoporose beschouwt. Met
lierkennen dezer ziekte in eenen schedel, welke een paar duizcnd jaren ond
kan zijn, is op zich zelf reeds geen onbelangrijk feit. Zoo loch bet onder-
zoek en de naauwkeurige melingen van RETZIUS voor de oud-Scandinavische
schedels en die van DAVIS en THURNAM voor de oud-Britsche volkstammeu
geleerd hebben, dat cle ligchaamsgrootte der menschen in vroegere tijdeu
* G. VROLIK. Specimen anatomico-pathologicum inaugurate de Itypcrostosi cranii. Amstelodarai 1848,
4 BESCHRIJV1XG EN AFBEELD1XG VAN EENEN
niet die van den tegenwoordigen lijd ovcrlrcft, zoo lictzclfde bcvcsligd wordl
door dc Egyptischc mmnmien, waarvan cnkclc daglcckcncn van bet derde
duizcndtal jarcn voor CHRISTTS' geboorte, en zoo op die wijze, zoowel voor
het booge Noordcn, als voor bet Zuiden, zicb ccne bcpaalde stand vastigheid
van vorni en groolte voor bet menschelijk geslacht openbaart, is bet zeker niet
onbclangrijk daarbij le herkenncn, dat voor ccn paar duizond jaren de mensch
door dezclfde beenziekten werd aangcdaan, welke hem ook nu kwellen.
De vraag blijft, of de ziekelijke gesleldhoid, welke wij in dezen scbedcl
bemcrken, van dicn aard is, dat de grondvorm kan gezegd worden door haar
ton eenenmale veranderd le zijn. Wij aarzelen geenszins daarop onlkcnncnd
to anlwoorden. Die grondvorm tocb komt overeen met bolgecn van elders
bekend is. Vergelijkt men den schedel, te Pompeji opgegravon, met de af-
beeldingen van tegennatuurlijk verdiktc schedels, zoo als die in de werken
van JADELOT, ILG, WENZEL GRUBER, G. VROLIK en E. HUSCHKE voorko-
inen, dan onlmoet men in deze alle eene grootere vcrandering van gedaanto,
dan bier. In de onlangs uitgegevenc vcrbandeling van HUSCHKE * over dit
onderwcrp, wordt dc ineening geopperd, dal de oorsprong van bet gebrek moot
gezocbt worden in cene, in jeugdigcn leeftijd ontstane, racbitiscbe verweeking
en opzwclliiig der becndcren, waarop later, door het afzetlcn van compacte
bcenzelislandiglicid in de verwijde becnmazcn, verbarding (cburnalio rachitica),
\<>lgl. In bet eerstc lijdperk dcr ziektc gescbiedcn de misvorming, de ver-
naauwing dor hcrscnbollo en der bcrsenzcnuwgaten, waarvan sommigc bijna
gesloten zijn, en waaruit een algcmccn ziekelijk lijdcn voortkomt. Van dit
alles nu geeft de door ons afgcbecldc scbcdel slechts in gcringe male blijk.
Wij zoudcn derbalve vermoeden, dat bier de ziekte geen gevolg is van cen
in jeugdigcn leeftijd ontstaan racbitisme, maar veeleer van ecu chronisch hj-
den, in laleren leeftijd geboren. Ilieruit mcenen wij te moeten verklaren,
dat de vorm zoo weinig Iced, en de capacilcit der bcrsenholte zoo ruim bleef.
Uit dit grootendeels bevvaard blijven van den vorm, acbten wij ons ge-
regligd, ook uit een ethnologiscb gczigtspunt, enkele bcscbouwingen aan de
bovenstaande toe te voegcn.
Het is bckcnd, dat de zuidclijke strekcn van Italic oudlijds door verschil-
lende volksslammen bewoond werden, die van pelasgiscben oorsprong zijn.
Uit Campanie, uit Groot-Griekenland, zijn de weinige schedcls afkomstig, die
E. HCSCHKE, Ueb. craniosclerosit tolalis rachitica ttnd verdicktc Schadcl ubcrhaupt. Jenn 1858.4".
TE POJ1PEJI OPGEGRA.VEN MENSCHELIJKEN SCHEDEL. 5
tot nog toe als van Griekschen oorsprong werden afgebeeld. Ons zijn slechts
twee zoodanige afbeeklingen bekend geworden. De eerste afbecltling is die
van eenen bij Nola opgedolven schedel; zij word in 1820 door BLUMENBACH
in de zesde Decade zijner schedelverzameling in bet licht gegeven. De twecde
schedel werd in i854 door Dr. ALBERT CARUS in een graf op vijf voet diepte
onder den grond bij bet oude Cumae opgedolven, en in 1857 door zijnen
beroemden yader C. G. CARUS bescbreven en afgebeeld *.
De onderzoekingen van RETZIUS haddcn hem reeds in 1847 tot bet be-
sluit geleid, dat de Griekscbe scbedels tot den brachycephalischen typus be-
booren {*. Tot staving van deze meening, bericp zich RETZIUS op den door
BLUMENBACH afgebeelden schedel, op de bcschouwing van een' Griekschen
geneesheer uit Corfu, die hem kort tc voren had bezocht, en op den schedel
van een kind van acht jarcn, vvclke bom door den Zweedschen gezant tc
Athene was toegezonden. DC schedel nu van Pompeji, welken wij afbeelden,
is mode duidelijk brachijcephalisch. Zijne mindere schoonheid en minder re-
gelmatige welving zijn bet gevolg van den ziekelijken toestand, waarin hij
zich bevindt. Ilet is te betreuren, dat cr nog zoo weinig bouwstoffen voor
eene elhnographische craniologie in de verzamelingen voorhanden zijn, bc-
paaldelijk vvat de oude bewoners van Europa betreft. In ons vadcrland al-
thans zijn alle ons bekende schcdelverzamelingen daaraan arm, terwijl zij
voor de bewoners van den Indischen Archipel en voor negervolkcn dikworf
rijk zijn. In dozen staat van zakcn, hcbbcn wij het niet onbclangrjjk geacht^
dat de schedel, door den Prins van Oranje mcdegebragt, wicrd afgebeeld, al
is bet ook dat de ziekelijke ontaarding der beenderen iets aan de zuiverheid
van den vorm moge ontnomen hebben. Behalve het brachycephalisch ken-
merk, ontdekt men in hem een eigenaardig opklimmen in schuinschc rigting
van het achterhoofd naar voren en boven, als ook eene vrij hooge kruin.
Deze bijzonderheid meenen wij niet onvermeld tc mogen laten, omdat de Heer
voiv HEIDENSTAM, de bovenvcrmelde Zwecdsche diplomaat, aan onzen hoog-
geachten vriend RETZICS schreef, dat de boofden der Grieken in het algemeen
hoog en rond zijn. Van boven gezien, vertoont zich de omtrek des schedels
* Ucbcr altgriechische Schadcl aus Grabern der verschwundenen alien Stadl Cumae in Unlcr-
llalien. Nova Act. Acad. Caesar. Leap. Carol. Natur. curios. Vol. XXVI, p. 1. Bonnae 1857.
f Kongl. Vctcnskaps Akadcmiens Forhandlingar for den 8 September 1847, p. 207 211, in het
Duitsch vertaald door Dr. C'REPLIN in MCLLER'S Archiv f. Anal. u. Physiol. 1848, S. 388 ff.
< BESCHRIJVMG EN AFBKELD1NG VAN EENEN MENSC11ELIJKEN SCHEDEL.
\\igvorinig rond, golijk (lit ook door hem bij don sdicdd van lict Grieksoln-
kind word opgolockoiid.
Ton liosluilo dnoii wij do arnielingon van dozen scliodcl volgcn :
Longto van den schcdol, gonomon van don world van don nous tot
de nihvendigo achtorliool'dsbuil 0,181.
Dwarse doormeting, gcnoinen van den eenen naar don andcron wand-
bocnsknobbol 0,158.
llroodto van hot voorbool'd, genomen van don world dor builenslo
oogkas-uitsteeksels 0,109.
Hroodlo van bot achlcrliool'd, genomen van do lopclacbligc nilslooksds. 0,157.
Hoogle van don sobcdcl, genomen van don acblorrand van hot grool
aoblorliool'dsgal lot aan de kruin des schcdels 0,157.
Breedte liisscben de slaapbccnsscbubbcn 0,155.
Alsland tussdien dc jukbecnsbogen 0,140.
lloogte dor oogkas 0,055.
Hrecdle dor oogkas 0,041.
llooglo van dc ondorkaak acblervvaarts van den knokkel tol aan don
ondcrrand, links 0,070.
rcgts 0,065.
Hoi acbtcrlioofdsgat, hicr van gcringcn omvang, in dc dwarstc. . . . 0,025.
in dc lengte 0,028.
Do kremrning van don scbedcl, van don world van den nous lot aan
bet acbterboofdsgal 0,401.
Do gebcele omvang van den schedel, gemeten met een' draad, gespan-
nen boven de wenkbraauwbogcn over den bovenrand der slaapbeens-
scbubbcn en boven het midden van bet acbterhoofdsbeen 0,550.
/" 1 AW. //I in .1 i~\\- IIKII 1T()17\'KX. i' n-i/i'ii iiteii\ebffykfii Ji/rr/Y fr /'tmrpffl ajje/rrjn'
PI I
. n.KOX, AKAD \* WETEXSC11. AF1) XATITRK D . VII
'lK MI ,/I-A.V UKU HORVEX ore urn matsctt$&ai Mer/r( (< Tbmpeji a/M/fy/w'
pin
VKKII II. KOX. , \K.\1). V \VKTKKSCH AKl). \.VriTFHv U VJI
l,illi < Mrifers- C?
P L S S I N G
VAX EEN
STELKUNSTIG PROBLEMA,
IIETllEliKIKG IIEIiBENDE TOT IIET
VINDEN VAN DEN GROOTSTEN LAST,
DIE DOOR EENIGE STEUNPUNTEIV KAN GEDRAGEN WORDEiY.
J B 4 D A G H 1J B E S.
In liet VIII Deel van cle Nicitwo Vcrhandelinyen tier l e Klasse van he I
K. N. Instituul, heeft de Heer J. P. DELPRAT eene merkwaardige Verhandc-
ling gcleverd over de drukkingen, door eenen last op zijne stcunpunten voort-
gcbragt. Het voornaamste deel dier Vcrhandeling is gewijd aan het bepalcn
van den grootsten last, waarmede ecu onbuigbaar horizontaal vlak, dat op
eenigc steunpunten van bekende draagvermogena rust, in een gegeven punt
kan bezwaard worden, zondcr het bezwijkcn van een of meer dier stcunpun-
ten tc veroorzaken. Brengt men het vinilen van dien grootslen last op stel-
kunstig terrein over, zoo geraakt men eenvoudig tot twee vergelijkingen van
den eersten graad, met zoovele onbckenden als er steunpunten zijn. Dezo
onbekenden moeten editor positicve waarden hebben, zij mogen zekere ge-
gevcne grenzen niet te bo ven gaan, zij moeten eene zoo groot mogelijke som
hebben; en al dezc beperkcnde voorwaardcn hebben ten gevolge, dat het op-
sporen van de waarden dier onbekenden een vrij ingewikkeld problcma wordt,
als is bet dan ook dat men slechts met twee eerstemagts vergelijkingen te
doen heeft.
13
. VERB. OER KOM1SKL. AKADEMIE. DEEL VII.
2 OPLOSS1NG VAN EEN STELKUNSTIG PROBLEMA.
lloezcer de oplossing van dit problcina nicts kan toevoegcn aan de juist-
hcid en volledighoid, waarmede lict genoemde onderwcrp door den Hcer DELPRVT
is behandeld, is dit ondcrwerp voorzekcr belangrijk genoeg om ccnc beschou-
wing daarvan nit vcrscbillcndc gczigtspunlcn to rcgtvaardigcn. Uit dicn hoofde
hcb ik gemccnd ccne bloot stelkunstigc oplossing van het bcdocldc problcma,
die gehccl onafbankclijk is van hct ondcrwerp dat er aanleiding toe gaf, aan
de Akademie tc inogen aanbicden; terwijl ik mij dan verder verpligt acht,
deze oplossing te latcn achtervolgen door eene aanwijzing, hoe al hare deelen
eene trelTende overccnkomst vcrtoonen met de beschouwingen, die men uit
de evenwiglsleer, tot bepaling van gcnoemden grootsten last kan afleiden.
Het bedoelde problema luidt als volgt:
Eenige onbekenden # # 2 , X 3 , x<, enz. moeten voldoen aan twee verge-
lijkingcn
a',jr, +'*! + a 'j^3 + a/ 4 JB 4 + enz - = 0, ......... (')
&',*, +b' 1 x,+l>' s x 3 +b\x> + enz. = 0, ...... .... (')
\\aarin de coeflicienten a\, b\, a' 2 , b' 2 , enz. gegevenc positieve en negatieve
gelallen zijn. Men vraagt nu voor deze onbekenden posilievc waarden te
vindcn, waarvan de som zoo groot mogelijk is; onder bcding dat deze waar-
den de grcnzen a?, = A,, a? 2 = A 2 , X 3 A 3 , enz., die voor elke onbekende in
hot bijzonder gegcven zijn, niet mogen overschrijdcn.
2.
Van dc vergelijkingen (') en ('), die wij volgens eene bekende schrijl-
wijze bcknopter door 2(a'x)=>0 en 2(b'x) = Q kunnen voorstellcn, gaan
de voorste leden door substitute der grcnswaardcn over in ^(o'A) en 2 (t'A),
\\clke nitdrukkingcn wij al dadclijk mogen aanncmen dat geen van bcide ne-
gatief zijn; on wel omdat men, alvorens de vergelijkingen in behandeling tc
ncmen, al hare termen van tecken kan vcranderen.
Moglen de gegcvens zoodanig zijn, dat 2 (a A) en -2" (6' A) beide nul \va-
ren, dan zou men blijkbaar, ter oplossing van het problcina, voor elke on-
!)ekende bare grenswaarde moeten ncmen, en de som dier onbekenden zou
dan -2" (A) zijn.
Moglcn de gegevens zoodanig zijn, dat 2-(a'\) of 2(b'\) cen van beide
OPLOSSING VAN EEN STELKUNSTIG PROBLEHA. 5
mil waren, dan zou hierdoor de oplossing van het problema zeer vereenvou-
digd worden; wij mogcn echter zulk een bijzonderen tocstand der gegevens
niet onmiddcllijk aannemen, en ondcrstellcn dus dat^(rt'A) en JS(b'A) beido
positief zijn; terwjjl wij al dadelijk zullcn beginnen met aan le toonen, dat
ook bij deze onderstelling de oplossing van ons problema allijd kan terugge-
bragt worden tot het bijzonderc geval, dat -2" (a' A) of 2 (//A) ecn van beide
mil zijn.
Stellen wij
p , . a'.A, + a',A,+a' s A, + euz. p
>
Z(b'A.) " q> b\ A, +4', A, +6' 3 A 3 + enz. q'
dan zijn p en q bekende positieve getallcn, die men des goedvindende beidc
kleiner dan de eenheid kan nemen. Wij hebben nu blijkbaar
WiP a'lJJAj +(b',p ' 2 ?)A 2 +(6' 3 p-a' 3? )A 3 + enz. = 0;
dat is, zoo wij
6< iP 'i?=*i. i' 2 p a' 2? = 6 2 , I>' 3 p a' 3 q = b 3 ,
enz. stellen,
b t A, +6 2 Aj + J 3 A 3 + enz. = 0,ofS(bA) = 0.
Trekken wij verder de vergelijkingen (') en ((?') van elkander af, na de
eerste met q en de tweede met p vermenigvulcligd te hebben, dan komt er
( b 'iP '.9)*i +(^' 2 P '2?)^ 2 +(ft'j^ ' s J) 3 + enz - = 0,
dat is
6, *, +& 2 o; 2 +6 3 * 3 +i. 4 ^F 4 + enz. = 0; ............ (|J)
en deze vergelijking heel't nu de eigenschap dat de uitdrukking 2 (b A),
waarin haar voorste lid door substitute der grenswaarden overgaat, werkelijk
mil is. Door dus de vergelijkingen () en (/?) te gebruiken, komen wij tot
het bijzondere geval, in het slot der voorgaande bedoeld.
Op gelijke wijze als ( t 3), kan men meerdere vergelijkingen uit (j en (/?')
afleiden, zooals b. v.
q)x 1 + (a^p + b\ q }x i + enz. == 0,
dat is, indien a' lP +6' l9 = a| , a' 2 p+6', ? == a2 , o',p+6', ? = a,, enz. gesteld wordt,
a,*, +a 2 a; 2 + a 3 , -j- a 4 # 4 -j- enz =0; ........... ()
13*
4 OPLOSSING VAN EEN STELKUNSTIG PROBLEMA.
onder die incerdcrc vergelijkingen kan er ecbtcr geenezijn, die gelijktijdig met
(i?) de eigcnschap lice ft, dat haar voorsle lid door substitutie der grenswaarden
mil wordt. Immers oni (A) nul tc makcn, zou men aan de verhouding der
vermenigvuldigcrs p en q eene anderc waarde moelen geven, dan wij er aan
gaven om ^"(6 A) nul te doen wordcn. Voor dcze waarde van - wordt dan
ook S(ab.) = S((a'p + b'q)b) = />-(' A) + qS(b'A), en dus s (a A)
posilicf.
Daar alle waarden van de onbekcnden, die aan () en (j?) voldoen, blijk-
baar ook aan (') en (ft 1 ) voldocn zullen, kunnen wij in plaats van (') en
(,:>') de vergelijkingen () en (P) gcbruiken; zoodat wij nu ons problema op
te lessen hebben, alsof de gegevene vergelijkingen waren:
a, x t + a 2 , 4- a 3 x 3 + a 4 ^ 4 + enz. = ............ ()
en
6, , + 6 2 a 2 -{- 6, .-c 3 + 6 4 a; 4 + enz. = 0, ........... (jJ)
wier coefficienten met dc gegevene grenzen in zulk een verband staan, dat
-5"(A) positief en ^(6 A) nul is.
Ter loops zij bier aangemerkt, dat bet vervangen van (') door eene nieuwe
vergelijking () cigenlijk geheel onnoodig is; en dat wij bier de vergelijking
() slechts ingevoerd hebben, om eene later aan te wijzen ovcrecnkomst, be-
vrijd te houden van bet gebruik van onderling scbeefboekige coord inaten-assen-
Dewijl de substitutie der grenswaarden bet voorste lid van () posiliel niaakt,
zal men, om aan () te voldoen, ten minste eene onbekendo moclen vermin-
derpii *, en wel zulk eene onbekende die een positieven coeflicient a heel't.
.Maar dewijl de substitutie der grenswaarden aan (i?) voldoet, zal men aan (,5)
nicl kunnen blijven voldoen, zoo men slechts eene daarin voorkomende on-
bekende vermindert. Wanneer dus in (i?) geenc der in () voorkomende on-
bekenden ontbreken, zooals wij vooreerst onderstellen zullen, zal men ten
minsU' twee onbekenden moeten verminderen; on wel twee onbekenden wier
ooeflicienten 6 verschillende teekens bebbon.
* Door het verininderen eener onbekende verstaan wij aan die onbekende eene waarde beneden
hare grenswaarde te geven; terwijl wij verder het versnhil van de waarde der onbekende met hare
grenswnarde, haar complement zullen noemen.
OPLOSSING VAN EEN STELKUNSTIG PROBLEM. o
5.
Verminderen wij dus twee onbekenden x r en x a , wier coefficienten in ()
ten minste een van beide positief zijn, en wier coeflicienlen in (|3) verschil-
lende teekens hebben, als wanneer j- een positief getal verbeeldt. Nemen
wij alzoo, de complementen dezer onbekenden door v r en v s voorstellende,
x r A r v r en x s = A, v s) terwijl wij aan de overige onbekenden hare
grenswaarden gcven, dan gaat het voorste lid van () over in
-5" (a A) (a r v r -\- a s v s ) (1)
terwijl (/S) geeft
f T \ 8 S }* * V /
uit de laatste vergelijking volgt nu onmiddeliijk
f, M J, M
r + V s = V r \ I ( = V s \ 1 > ,
( b s ) ( b r )
dus
v =-=^-(v + V ) v =-^-(o +)
en
a s b r a r b s
a r v r + a s v s => f (v r -\- Vs) ;
Or O s
slellen wij dus
zoo vinden wij onmiddeliijk
2(aA) (iv'+e.)F(r,) (4)
voor de waarde die het voorste lid van () verkrijgt, door eene vermindering
der beide onbekenden X T en x s , die aan (|5) voldoet.
Om aan de vergelijking () te voldoen, zou de uitdrukking (4) mil moe-
ten zijn; uit die uitdrukking blijkt dus: ten eerste, dat het verminderen der
onbekenden x r en x s bet voldoen aan () zal tegenwerken, indien F(r,s)
negatief is; en ten tweede, dat bet verminderen der onbekenden x r enx, het
voldoen aan () sterker zal bevorderen, en wel voor kleinere waarden van
de som der complemenlen v r en v s zal bevorderen, naargelang F(r,s) eene
grooterc positieve waarde heeft. Daar nu de som der onbekenden grooter
OPLOSSING VAN EEN STELKUNSTIG PROBLEMA.
blijl'l, naargelang hare complementcn klcincr zijn, zal men, oni de waarden
tli-r onbekcnden te vinden, die gclijktijdig aan ^j en (i*) voldoen, en wier
soin zoo groot mogelijk is, de verniindering dcr onbekcnden hi] voorkcnr inoe-
IIMI aanbrengen in die onbekenden, wier coeflicienlcn volgens de formule (.">)
ill- grootsle waarde voor F(r,.s) opleveren.
Men beginnc dus met de onbekenden op alle mogclijkc wijzen te combine-
mi, voor zoover namelijk bare coeflicienten in () verscbillendc teekens hcbbcn
en in () niet bcide negatief zijn; voor elk dezer combination berekene men
volgens de formule (5) de waarde van F(r,s); en die combinatie, welke de
groolste positieve waarde voor F(r,s) oplevcrt, wijst dan de beide onbekenden
aan, die men bij voorkeur vcrminderen moet.
0.
Laten x m en x n de onbekenden zijn, door wier combinatie men voor F(r,s)
de grootste positieve waarde F(m,n) lieeft gevonden. Om dan te ondcrzoeken
of hot verminderen van die beide onbekenden, dat is bet substitueren van
x n = A m v m en x n = A n v n , tocreikcnd is om aan () en (?) te kunnen
voldoen, merke men op dat deze substitute blijkcns (2) en (4) de vergelij-
kingen () en (i*) doct ovcrgaan in
b m v m + b n v n eu 2 (a A) (o, n -\- v n ) (m , n) 0,
waaruit voor de waarden der complementer! v m en v n gevonden wordt
^ (a A)
en
~4 :F(i,n)
overschrijden nu deze waarden do grenzen A m en A s niet, dan is de verniin-
dering der onbekenden x m en x a toereikcnd om aan () en (P) te voldoen,
zoodat ons problcma dan zal opgelost zijn, door te nemen
2 (a A) _2(aA.)
X m A m
en aan al de overige onbekenden hare grenswaarden te gevcn.
Is echter
I A
i-
01 -7 T- ^ An,
OPLOSSING VAN EEN STELKUNSTIG PROBLEM. 7
dan is het verminderen der onbekcnden x m en x n ontoereikend, zoodat men
dan tot eene vermindering van nog een of meer andere onbekenden zal moc-
ten overgaan.
I 7.
Het overgaan tot vermindering cener derde onbckende, kan eerst dan te
pas komeri, vvanneer ten minste een van do beide onbekenden x n of x n tot nul
verminderd en dus haar complement gelijk aan hare grenswaarde genomen is;
want zoolang dit niet heeft plaats gehad, blijven de onbekenden x m en x n
altijd diegcnen, waarop de vermindering bij voorkeur moot toegepast worden.
Ingeval dus, zooals wij nu verder onderstellen zullen, de vermindering der
onbekenden x m en x n ontoercikend is, komt het er op aan te onderzoeken, wie
van deze beide het is, die tot nul vermindcrd moet worden, en welke ver-
mindering van de andere daarmede moet gcpaard gaan. l)it onderzoek levert
eene uitkomst op, die afhankelijk is van den positievcn of negatieven toestand
der uitdrukking b m A. m + b n A,,, in verband met do verschillende teekens der
coefficienten b in en b n .
Zijn de gegevene coefficienten en grenswaarden zoodanig, dat &, A,,, -}- & A n =
is, zoo verhindert niets, dat men x m en x n beide tot nul vermindere; want
hierdoor wordt v m = A m , v >t = An, en dcze waarden voldoen dan aan de ver-
gclijking b m v m -f b n v n = 0.
Is echter b m A. m + b n A n niet gelijk nul, zoo kan men slechts een van de beide
onbekcnden x m of x n tot nul verminderen. Stel dat x m tot nul verminderd en
dus v m = A m genomen kan worden, zoo zal uit de vergelijking b m v m + b n v n =
volgen, dat men v n = -jr^m m oet nemen. Maar deze waarde van v n mag de
On
grens A, niet overschrijden; derhalve mag A n (- ^ K m \ ofwel 6 - m A"L+A An
\ OB / " n
niet negatief zijn; dat is 6 m A m + 6 n A B moet hetzelfde teeken hebben als b n .
Stelt men dat Xn tot nul verminderd kan worden, zoo volgt daaruit desgelijks
dat b m A.m + b n A n hetzelfde teeken als b m moet hebben. Naargelang dus
6 m A m + 6 n A n in teeken overeenkomt met b n of b m , zal men x m of xn tot nul
moeten verminderen.
Alzoo moet men dan beginnen met x m en x n te verminderen tot:
8 OPLOSSING VAN EEN STELKUNST1G FROBLEMA.
x m , eu . z n = , als b in A m + b,, A n =*= is;
*m A, n + i n A n . , A,,, -{- & A,,
, als - - - positief is ;
, m ,
On
b,n Am -f 6An , &; A m + i rt A
JV,, = - - - , x n = 0, als - ijositu'l is.
b m b m -
8.
Nil dcze ecrslc vcrmindcring zal men dan verder, op gelijke wijze als dit
ten aanzien van x m en ar n verklaard is, eene Iweede vcrmindering moeten aan-
hrengcn in Iwee zoodanige onbekenden x p en x q , als wier combinatie, zondcr
ci'iic reeds lot mil verminderde onbckende te bevatten, door het gebruik der
Ibrmulc (5) de positieve waardc F (/),) hceft opgeleverd, die in groottc het
naast bij F(w,n) komt. En bij dcze tweede vermindering, zal men de over-
gcblevene waardcn der nog niet tot nul reeds verminderde onbekenden, als
hare nieuwe grenswaarden moeten beschonwcn.
Of zulk eene Iweede vermindering toereikend zal kunnen zijn, blijkt even
als in 6. Is zij toereikend, dan is dc oplossing van het problcma ten einde.
Is zij echter onloercikend, dan moot zij even als in 7 zoo ver worden uit-
geslrekt, dat ten minste een der onbekenden x,, of x, t tot nul vermindcrd
worde. Hierna zal men wederom eene derde verniindering moeten loepassen
op de twee onbekenden, wier combinalie, volgens de formule (5) de grootste
positieve waardc na F(p,) oplevcrdc, zondcr eene reeds lot nul verminderde
onbekende le hevallen. En zoo vervolgens.
Door deze achlervolgende paarsgcwijze vcrminderingen, blijftmen dan slceds
aan de vergelijking (i^) voldocn, lerwijl men de aanvankclijk posilieve waardc
^(aA) van het voorslc lid der vergelijking (), ten kosle van dc klcinste
vermindcringcn der onbekenden het spocdigsl hat afnemcn, tot dat ook aan
de vergelijking () voldaan is,
9.
Bij het berckenen der waardcn van F(r,s), voor alle bruikbarc combination
der onbekenden, zal zich de merkwaardige bijzonderheid voordoen, dat de bcide
combination, die de groolste en de naastgrootere waardc voor F(r,s) op-
levercn, altijd eene zelfde onbekende bcvallen. Dit kan op de volgende wijze
worden aangeloond.
OPLOSSING VAN EEN STELKUNSTIG PROBLEMA.
Laat in ((*) b, n de positieve en b n de negatieve coefficient zijn van twee
gecombincerde onbekenden x m en x,,; zij evenzoo b r de positieve en 6 ? .de
negatieve coefficient van twee andere gecombineerdc onbekenden x p en x,,',
dan zal men van deze vier onbekenden ook nog x, n met x tj , en x n met x r
kunnen combineren, omdat hare cocflicienlcn b verschillcnde leekcns bebberi;
terwijl, wegens de overeenkomst van de teekens der coefficienten 6, de com-
binalien van x m met x p , en van % n met # 9 , moeten vervallen. Stellcn wij
nu gemakshalve
" j ~ ii . j i . * T = flj CM ~~ ~ 7 : ^ i ~ ^ j
n &/ & 7 &
als wanneer h, i, k en / positieve getallen zijn, die zoo van elkander af-
k Ii
hangen, dat - - is, dan leveren de vier bruikbare combination der onbe-
1 I
kenden de volgende waarden op:
en wij hebben nu te bewijzen dat, indien van deze vier waarden F(m, n)
de grootste is, F (p, q) niet de naastgrootere kan zijn, maar wel F (>, 7)
of F (p, n).
Stellen wij daarloe
F (m, n) > I 1 (p,q) en I 1 (m, q) < F (p, q) ,
dat is
m -\-dqk Up -\~ O.q i
l + h l +i
dan volgt hieruit onmiddellijk
(a m + a n h) (l+i) > (a p + o, i) (1 + h) ,
(a w + a ? k) (1 -J- i) < (a,, -f- a v i) (1 + k) ,
en dus door aftrekking
(a n h-a q k] (l + i) > (a p + a q i) (h k)
hieruit leiden wij dan verder af: door ontwikkeling, weglating van gelijke
en verplaatsing van andere termen,
a p k -\- a n h -f- a n h i ~^ a p h -\- a ? k -f- a q h i
door vermenigvuldiging met T^TJ
a p i + o n I + a n H "> a p l -\- a q i -\- a q li ;
14
KATL'URK. VERB. DRR KOMNKL. AKADEM1E. DEEI. VII.
10 OPLOSSING VAN EEN STELKUNSTIG PROBLEMA.
door oplelling van a p bij elk der leden,
(op + a n 1) (1 -(- i) >(a,, + V) (1 + 0;
on hiervoor kunncn wij nu schrijvcn
" 1 + I 1 + i '
of wel
lladden wij gesteld
F(m,n)>F(/>, 9 ) en
dan zouden wij daaruit op gelijke wijze hebben afgelcid
F(m,9)>F(p, ? ).
Indien dus F(i,n) grooter dan F (/>,) is, kunnen F(p,n) en F(w,(/)
niet gelijktijdig kleiner dan F (/>,) zijn. Is derhalve F(w,n) de grootste der
vier genoemde waarden, zoo kan geenszins F (p , q) maar wel F (p , n) of F (m , q)
de naastgrootere zijn.
10.
Uit de aangetoonde eigenschap kan afgeleid worden, hoe de opvolgende
verminderingen zich aaneen zullen schakelen.
Laat namelijk
P(m,n), F(p,n), P(p,?), P(,j),
de orde van afdaling zijn, der vier groolste positieve waarden, die men door
de bruikbare combinatien der onbekenden gevonden heeft. Indien dan de
cerste vermindering tot x m = A m v rt en x n = is moeten uitgestrekt wor-
den, zal de tweede vermindering over de twee nieuwe onbekenden x p en x q
loopen, zonder zich over het overgebleven deel van x m te kunnen uitstrekken.
Heeft men echter de eerste vermindering tot x m = en x n A n v n moe-
ten uitstrekken, dan zal de tweede vermindering slechts over eene nieuwe
onbekende x p) maar tevens over het overgeblevene deel der onbekende Xn
loopen.
Was echter de orde van afdaling eene der beide volgende:
F(m,n), F(p,n), F(m, ? ), F(p,?);
F(m,n), F(m, 3 ), F (p , n) , F(p,});
OPLOSSING VAN EEN STELKUNSTIG PROBLEMA. H
dan zou de onbekende, die bij dc ecrslc vcrmindcring niet tot nul vermin-
derd werd, altijd andermaal in de tweede vermindering begrepen zijn. Hieruit
volgt echter nog niet, dat deze onbckcnde door de tweede vermindering lot
nul zou rnoeten gebragt worden. Zij zou een deel kunnen laten overblijven,
dat andermaal in eene derde vermindering kan begrepen zijn, maar ook wel
buiten die derde vermindering zou kunnen blijven.
Er zijn twee bijzondere gevallen, waarin het aanbrengen der verminderin-
gen, telkens in een tweetal onbekenden, moet vervallen. Hot eone geval kan
zich voordoen, wanneer in (|?) eenc onbekende ontbreekt, die in () eenen
positieven coefficient heeit. Het andere doct zich voor, wanneer de grootste
positieve waarde, die de formulc (3) voor F(r,s) oplevert, gelijkclijk uit
twee of meer combination voortvloeit. De eene onderstelling hebben wij uit-
drukkelijk, de andere hebben wij stilzwijgend, tot dusverre buitengesloten.
Onderstellen wij thans dat in (/?) eene onbekende xi ontbreekt, die in ()
een positieven coefficient a\ heeft. Indien wij dan deze onbekende vermin-
deren, en dus, die vermindering of het complement door vi voorstellende,
Xi \t Vi nemen, terwijl wij aan de overige onbekenden hare grenswaar-
den geven, is aan ((?) voldaan en gaat het voorsle lid van () over in
S(aA.) v t X at; ................. (5)
bieruit zien wij terstond, dat het verminderen van XL meer tot het voldoen
aan () bijdraagt, naargelang de coefficient a/ grooter is; en door de uit-
drukking (5) met de uitdrukking (4] van 5 te vergelijken, zien wij almede,
dat voor gelijke waarden van vi en v r + v s , dat is voor gelijke vermindering
in de som der onbekenden, het voldoen aan () al of niet sterker door de
vermindering van xi dan door die van x r en x s zal bevorderd worden, naar-
gelang de coefficient a/ al of niet grooter dan de waarde van F (r , s) is.
Wanneer dus F (m , n) de grootsle positieve waarde is, die men voor F (r , s)
kan bekomen, zal men, indien a/ < F (in , n) is, even als vroeger met het
verminderen der onbekenden x m en x n moelen beginnen.
Is echter at > F (in , n), dan zal men aanvankelijk x t rnoeten verminderen,
en kunnen onderzoeken of die vermindering welligt alleen toereikend is, door
de uitdrukking (5) gelijk nul te stellen, en te zien of de daaruit voortvloei-
14*
1'J OPLOSSING VAN EEN STELKUNSTIG PROKLKMA.
H'udc waarde ti/ = "- to grens A/ niet overschrijdt. Overscbrijdt zij dio
i;rcus niot, dan zal hel problema opgelost zijn, zoo men xi \i -"
*#
neeint, on aan al dc andere oribckcnden hare grensvvaarden geeft. Is echtcr
> A/, dan zal men eerst x t = moeten nemen en daarna lot de vroeger
verklaarde vermindering van x m en x n moeten overgaan.
Ili't is voorfs klaar, dat de vermindering van an ook tusschen de paars-
gewijze verminderingen der onbekcndcn zal moeten aangebragt worden, zoodra
al'dalende waarden van F (r , s), die men opvolgend gebruikt, beneden de
waarde van den coefficient a/ zoudcn komen. Alsmede dat, zoo er meer on-
bekenden in (i*) ontbrekcn, bare vermindei'ingen in vroeger of later plaats in
aanmerking zullen moeten komen, naargelang bare positieve coeflicienten in
() grooter zijn.
Onderstellen vvij nu nog, dat de grootsle positieve waarde, die de formulo
(5) voor F (r , s) oplevert, gelijkelijk nit twee combination van onbekenderi
voortvloeit, dan moeten, volgens bet betoogde in 9, deze twee combination
icder eene zelfde onbekende bevatten. Nemen wij diensvolgens aan, dat de
combination van x m met ^,,, en van x m met x p , de onderling gelijke grootste
positieve waarden
a n l> m a m b n apbn^anbp --vi m a \ mm f
r-r f . , - (m , n) - - I 1 (m , p) /
<>m - O n O m - Op
hebben opgeleverd, dan moeten volgens 5 de verminderingen wel bij voor-
keur aangebragt worden in de onbekenden die tot deze combination behoo-
ren, maar deze drie onbekenden x iil} Xn en x p deelen met helzell'de regt in
die voorkeur. Vermindert men die dus alle drie en stelt men alzoo x m = A m v m>
x n = A n w n , x p = A/, v p , dan gaat bet voorste lid van () over in
2 (a A) (a,nv m -f a,, + a p v p ) , ............ (6)
terwijl uit (i^) volgt
bm v,n + b n v n + b v ~ 0; .............. (7)
de laatste vergelijking geeft
p
-/ V, ,
b m
OPLOSSING VAN EEN STELKUNSTIG PROBLEM A. 15
waardoor wjj hebben
, , a m bn Umbp , .
b nt b m
a n b m a m b n a p b m a,,, b p f (b m 6 ) / (b m b p ]
- v n + -< -Vp = __ _ v n -J- - ~ t>
6,, 4
= / (" + /. r- n , />) = / ( + + /));
"m ^m
voor'de uitdrukking (6), waarin hot voorste lid van () door vcrmindering
der drie onbekenden overgaat, kunnen wij dus almede schrijven
^ ( A) - K +v a + Vp )f (8)
Volgens eene bekende methode kan men voor v m , v n en v /} positieve
waarden vinden, die aan de vergelijking (7) voldoen, respectievelijk de gren-
zen A m , A B en A^, niet overschrijden, en eene zoo groot mogelijke som heb-
ben. Noemen wij deze waarden M, N en P, dan is b m M + 6 n N + 6pP = 0,
M < of = A ;w , N < of = A n , P < of = A P , en M + N + P de genoemde
grootstmogelijke som, terwijl er onder de drie waarden M, N en P zeker
een of wclligt twee de grenswaarde hebben. Is nu deze som grooter dan
, zoo zal bet problema kunnen opgelost worden, door alleen de .on-
bekenden tv m> x n en x p te verminderen. Hiertoe heeft men namelijk niet al-
leen de vergelijking (7), maar zal men blijkens (8) ook moeten hebben
S (a A) - (,-, + v n + v p ) / = ; , (9)
zoo dat dan (7) en (9) de twee, maar ook de twee eenige vergelijkingen
zijn, waaraan de drie complemenlen v m , v n en v p moeten voldoen. Daar nu
nit M + N + P > " - volgt, dat men, door M, N en P in eene zelfde
reden tot M', N' en P' te verkleinen, maken kan dat M' + N' + P' = ^
wordt, als wanneer men heeft 2 (a A) (M' + N + P') /"=0; terwijl die
evenrcdige verkleining de vergelijking b m M + b n N -f- b p P = doet overgaan
in b m M' + bn N' + b p P' = 0; zoo is bet klaar dat men slechts v in = M',
v a = N' en v p = P' behoeft tc nemen, orn voor de complementen waardon
Zie raijne Beginselen der Di/. en Int. Rekening, 201.
i4 OPLOSSING VAN EEN STELKUNSTIG PROBLEMA.
to bekomen, die, zonder dc grenswaarden te overschrijden, aan de vergelij-
kingen (7) en (9), dat is aan () en ((3), voldocn.
De gonoemde evcnredige verkleining, die wij aanvoerden om in het onder-
slelde geval het toereikende van de vermindering der drie onbekcnden x m ,
x n, en Xp aan te toonen, geeft slechts een der vele anlwoorden die men hier
bekomen kan. Immers daar men in (7) en (9) slechls twee vergelijkingen
ter bcpaling der drie complementen heeft, kan men voor ecn dier comple-
uienten eene zekere waarde aannemen en er vervolgens de beide anderen uit
bopalen; men zal slechts moeten zorgcn die aan te nemen waarde zoo be-
noden hare grens te kiezen, dat ook de beide anderen benedcn hare grenzen
hlijven.
Na alzoo voldoende waarden voor de complementen v m , v n en v p gevonden le
hebben, behocft men dan slechts x m = A m v m , x n = k n v n en x f A p v p
te nemen, en aan al de overige onbckenden hare grenswaarden te geven,
om de oplossing van het problema te verkrijgen, dat nu blijkbaar, ten aan-
xion van de waarden, die men voor de onbekcnden x m , % n en x p ieder in het
bijzonder vindt, onbepaald maar ten aanzien van de som, die men voor
de onbekenden bekomt, bepaald is.
Mogl M + N 4- P juist gelijk aan zijn, dan zou men v m = M,
v n = N en v p = P kunnen nemen, waardoor nog juist aan de vergelijkingen
(7) en (9) voldaan wordt. Hicrdoor vcrkrijgt men dan de eenige bcpaalde
waarden x m = A m M, * = A n N en * = \ p P, die nevens de grens-
waarden der overige onbekenden het problema oplossen. Waren in dit geval
de gegevens zoodanig dat men had b m A m + b n A n -}- b,, A p = 0, dan zou M = A m ,
N = A n en P = A,, zijn, zoodat men dan, nevens de grenswaarden der overige
onbekenden, hebben zou & m 0, % = en x t> = 0.
Is echler de groolstmogelijke som M -f N + P kleiner dan ' - -, , zoo
is de vermindering der drie onbekenden % m , x n en x p ontoereikcnd ter op-
lossing van het problema. Want alsnu kunnen er, onder de waarden van
v m , v n en v p , die zonder hare grenzen te overschrijden aan de vergelijking
(7) voldoen, gecnc aangewezen worden, die den term (v at + v lt + v /: ) f groot
genoeg maken om de uitdrukking (8) mil te doen worden en alzoo aan de
vergelijking () te voldoen. In dit geval zal men dus de vermindering der
onbekenden m , x a en x p zoo ver mogelijk moeten uitstrekken, alvorens tot
OPLOSSING VAN EEN STELKUNSTIG PROBLEJIA. 15
vermindering van nieuwe onbekenden over te gaan. Hiertoe zal men ,? m = A,,, M,
x n = A n N en x p = A. 1> P moeten nernen, waardoor een of welligt twee
der drie onbekenden tot nul verminderd worden en er zeker geene waarden
overblijven, voor twee wier coeflicienten 6 in teeken verschillen *. Daarnn
zal men dan vender tot het verminderen van nieuwe onbekenden, door de
opvolgende grootste positieve waarde van F(r,s) aangewezen, moeten overgaan.
Heeft men de aanvankelijke grootste positieve waarde voor F(r,s) uit meer
dan twee combinatien gevonden, dan zullen deze combinatien over meer dan
drie onbekenden loopen, maar blijkens 9 altijd twee aan twee eene zelfde
onbekende bevatten.
Stellen wij nu b. v. dat die combinatien over de vijf onbekenden x m , z n ,
x p , x q , x t loopen, clan verkrijgen wij, even als in de vorige te werk gaande,
de vergelijking
bmVm + bnVn + bpVp-t-bqVq + btVt = 0, ............. (7')
en de uitdrukking
S(aA.) (v m + v n + v p + v q + v t )f, .............. (8')
die voor het geval dat de vermindering dezer vijf onbekenden toereikend is,
de vergelijking
.2 (a A) (v m +v n + vp + v q + vt)f=0 ............ (9')
oplevert. Al dezelfde beschouwingen, die in de vorige ten aanzien van
(7), (8) en (9) voorkomen, laten zicb nu onmiddellijk op (7'), (8') en (9')
toepassen, om te onderzoeken of en hoe het problema kan opgelost worden,
hetzij alleen door onbepaalde of bepaalde verminderingen dezer vijf onbe-
kenden, hetzij door hare zoo ver mogelijk uitgestrekle verminderingen, nog
door verminderingen van andere onbekenden te doen achtervolgen.
Overigens is het klaar, dat het aanbrengen der verminderingen, in deze
en in de vorige besproken, zich niet aanvankelijk behoeft voor te doen,
maar ook tusschen de vroeger beschouwde paarsgewijze verminderingen kan
invallen; gelijk mede tusschen deze, en de enkele verminderingen, waarvan
in 11 sprake was. Gelijkerwijze als wij dit, aan het slot van 11, ten
aanzien van die enkele verminderingen opmerkten.
Dit volgt uit de toepassing der aangehaalde methode.
K OPLOSSING VAN EEN STELKUNST1G PROBLEMA.
hanr hct tot dusvor voorgodragene genoegzaa-ni is, om bet voorgestelde
probloma in alle gevallen te kunncn oplosscn, zullcn wij thans die oplos.sin^
door OPII (>nkol voorbecld ophelderen, dat nagenoeg al de opgomcrklo bijzou-
dn-beden zal doon te voorschijn treden.
Lilcn te dien einde de gegevene vergelijkingen zijn:
19*, 4- 5* 2 4- 18 *, 4- 8* 4 + 20* 5 + 22* 6 6* 7 + 10* g == 0, . . (')
. Tj 4- 20* 2 47*, 40* 4 40* 5 74* 6 24 ar, 71.r 8 = 0, . . (|J')
MI nemen wij als gegevene grenswaarden der onbeken'den respcctievelijk aan:
A, =6, A 2 =18, A, =8, A 4 =2$, A. =5, A 6 =2, A 7 =15, A, = 1;
indien wij dan deze grenswaarden voor de onbokenden substitueren, komt er
voor de voorste leden dezer vergelijkingen -2" (a' A) = 327 en -2" (b' A) = 054.
Nil do teekens van (') omgekeerd te hebben, vinden wij dus
p S(a'L) 327 1
- = - - = - = - , dat is p = 1 en == x ;
q S(b'h) 654 2
wij voegen alzoo bet dubbel van (') met ((*') te zamen, als wanneer wij,
na deeling door o, de nieuwe vergelijking
18*, + 10* 2 7se 3 8ar 4 10* 12ar 7 17o; 8 =
vcrkrijgen, die nu de eigenschap lieeft, clal haar voorste lid door substitute
der grenswaarden mil wordl. Dezc vergelijking tor vervanging van (p') ge-
bruikcndc, hebben wij niet noodig ook nog (') door eene nieuwe vergelij-
king te vervangen; en wij zullen ons alzoo bedienon van de vergelijkingen:
19*,--J- 5*, + 13a:j + 8.r 4 + 20.r s + 22* - 6.r 7 + 10* 8 == 0, . . . ()
en
13*, 4- JO*., 7* 3 8* 4 ..... 10*o 12 *7 17 -*3 = Q, ~- (P)
volgeus welke 2 (o A) = 527 en 2 (b A) = is.
Combinccren wij nu de onbekenden, zooals aan bet slot van 5 gezegd
is, ler berekening der waarden van F (r , s) volgens de formulc (."), dan vin-
den wij :
F(l,8) = 15 r V, (\,4)-=lZ^, P(l,8)20iS, F(l ,7) = 6, E(l ,8) = 15 ^
F(2,8)= 9!j, F(2,4)= 61 F(2,6) = 13i F(2,7) = 0, F(2,8) = 6| T ,
OPLOSSING VAN EEN STELKUNSTIG PROBLEM. 17
en wij hcbben dus dezc waarden naar hare afdalende groolte le rangschik-
ken. Dewijl in (|S) eene onbekende x- a ontbreekt, die in () een positieveu
coefficient heeft, moot bij deze rangschikking aan dien coeflicient zijne plaats
gegeven worden. Hicrdoor bebben wij de afdalende waarden:
F(1,G)-20JS, a s ==20, P(l,3)=r(l,8) = 15 J V, (2,6) = ISi, (1,4) = 12, T , enz.
die dan aanwijzen in welke volgorde de onbekenden bij voorkeur ter vermin-
dering in aanmerking moeten komen; te wcten aanvankelijk x l en # B .
Wij beginnen dus met x l = G v { en * 6 = 2 v 6 te stellen, waardoor
(a) en ((?) overgaan in
327 (19, +22r c ) = en 13, + lOr, = 0;
bieruit v l en v 6 berekenende, vinden wij waarden die de grenzen 6 en 2 le
boven gaan, waardoor blijkt, dat bet vermindercn van x, en x 6 ontoereikend .
is, en dus een dozer onbekenden tot nul vermindcrd moot worden. Omdat
6, A, +^A, 13X6 10X2 ... . . . ,.
- j 3 - positiet is, is net x 6 die tot nul vermmderd moet
worden,, waarmede overeenstemt v 6 = 2, t>i = M v 6 = l, 7 3 en x l =^& ^, = 4^;
zoodat %i aanvankelijk tot 4^ moet verminderd worden en bijgevolg A, = 4 r 6 3
eene nieuwe grenswaarde voor x l wordt. Alzoo behouden wij de vergelij-
kingen:
19*, -f 5a: 2 + 13ar 3 + 8x t + 20 x z 6x 7 + 10 a- 8 =0, .... (,)
13a-, + 10a; 2 7or s 8a; 4 ..... 12ar 7 17.r 8 = ..... (,)
met de grcnswaarden A, -= 4, |, A 3 = 18, A 3 = o, A 4 = 2J-, A 5 = 5, A 7 = 15
on A s = l, volgens welke nu 2 (a A) = ^SoJ" wordt.
Vorder komt nu, volgens 11, de onbekende, die tot den coefficient a 3 = 20
behoorl, ter vermindcring in aanmerking, en wij stellen diensvolgens# 5 = 5 1) 5 ,
waardoor (^) onvcranderd blijft, terwijl (,) geeft
253} 20 v. =0;
de waarde, die hieruit voor v s gevonden zou worden, gaat wederom de grens-
waarde 5 te boven; alzoo moet v 5 = 5 en # 6 = genomen worden, waardoor
wij behouden de vergelijkingen :
19ar, + 5tf 2 + 13^ 3 + 8a- 4 - 6^ 7 + I0x s = ....... ( 2 )
13*, + 10o; 2 7*3 8 4 12a; 7 17* 8 =0, ....... (|? 2 )
met de grenswaarden A, = 4 r 8 3 , A 2 = 18, A 3 = o, A 4 = 2J, A 7 = 15 en A 8
volgens wclkc tbans ^(Ao) = 155|-- is.
15
NATUURK. VEHH. DER KONIKKL. AKADEMIE. DEEL VII.
8
18 OPLOSSLNG VAN EEN STELKUNST1G PROBLEMS
Daar op den gcbruiklcn coefficient 5 20, zoowel F (1 , 5) als F (1 ,8)
mot gelijke grootsle positicve waarden volgen, komen llians de drie onbekcn-
den * *, en * 8 gelijklijdig ter vermindcring in aanmerking, zoodat wij in lid
geval van 12 verkeeren. Stellcn wij derlialvc
x t = 4,*i ,, x s = 8 f 3 , .r g = 1 1> 8 ,
dan gaan ( 2 ) en (P 2 ) over in
153JS (19, +18i>, + 10r s ) = en -- 13t>, -f- 7, + 17, '= 0;
kunnende de eerste vergelijking, door middcl van de laatste, vervormd wor-
dcn tot
l53!?-( 1 + 3 + 8 )X15rV= 0.
Bepalen wij mi de waarden van ,, t> 3 en V B , die aan de vcrgelijking
13i>,-f-7u 3 + i7u 8 = voldoen, rcspectievelijk de grenzen 4 1 3 , o en 1
niet overschrijden, en eene zoo groot mogelijke som hebben, dan vinden wij
daarvoor v, = 2J,, v 3 = 5 en v g = 1 ; inaar de som dezer waarden is te klein,
om met 15,',, vermenigvuldigd een product te geven, dat 153',' overlreft of
t'venaarl; dcrhalve is de nieuwe vcrmindering van r,, ^ 3 en ^r 8 alnog on-
toereikend, en zal men dus werkelijk v, = 2J j, f 3 =3 en t) g = 1 moeten nemen,
waardoor dc drie onbekenden verminderd worden lot x l = i l 1 3) 3 = en x s = 0,
terwijl A, = \ , 7 3 wederom eene nieuwe grenswaarde voor -^, zal worden.
Alzoo bebouden wij de vergelijkingen:
19 *, + 5*, + 8*,-- 6* 7 =0, (,)
lSx { -f 10ar 2 8 A - 4 12r 7 =0, (|? 3 )
met de grenswaardcn A, = 1-^, A, = 18, A 4 = 2^ en A 7 = 15, volgens welke
dan 2 (a A) ==49, 3 3 is.
DC waarde van F (2 , 6), die verder in groolte volgt, vloeit uit eene coni-
binatie van twee onbekenden voort, waarvan er reeds eene tot mil is ver-
minderd geworden; zij vervalt alzoo, weshalvc de daarop volgende waarde
van F(1 ,4) tbans de onbekenden #, en x k tcr vermindering aanwijst. Wij
slcllen dus *, = 1 , 7 3 t>, en 4 = 2J t> 4 , waardoor ( 3 ) n (i 3 *) worden
49 r J T (19 e, + 8t> 4 ) = en - 13 , + 8 4 = 0;
lessen wij hieruit t', en r 4 op, dan vinden wij v l = \ l 7 - 3 en t> 4 = 2J; daar
deze waarden de grenzen niet overschrijden, blijkt bieruit, dat eindelijk de
opvolgende verminderingen door dcze op eene toereikende wijze voltooid wor-
den, terwijl wij cr door verkrijgen #, = en $1 = 0.
OPLOSSINQ VAN EEN STELKUNSTIG PROBLEMA.
Met uitzondering van x 2 en # 7 , die geene vermindering ondergaan hebben,
zijn nu achtervolgens al onze onbekenden tot nul verminderd. Ter beant-
woording der vraag moeten wij dus voor x 2 en x-, hare grenswaarden, en
voor al de andere onbekenden nul nemen. De som van de waarden der on-
bekenden wordt dan A 2 + A 7 = oo; en deze is nu grooter dan de som van
alle andere positieve waarden der onbekenden, die, zonder de gegevene gren-
zen te overschrijden, aan de gegevene vergelijkingen () en (P) voldoen.
I 15. ' '
Hiermede de geheel stelkunstige oplossing van het voorgestelde problema
afgeloopen zijnde, blijft mij over bet verband te doen zien, dat er beslaat
lusschen al de deelen dczer oplossing, en de bepaling van den grootsten last,
dien eenige steunpunten van gegevene draagvermogens dragen kunnen.
Stellen wij door A,, A w A 3 , enz.
de bekende uiterste draagvermogens
voor van eenige steunpunlen P,, P 2 , P 3 ,
enz. (Fig. 1) op welke een onbuig-
baar horizontaal vlak rust. Laat verder
op dit horizontale vlak een punt
naar welgevallen gegeven zijn, en ge-
vraagd worden den grootsten last L te
vindcn, waarmcde het gcnoemde vlak
in het punt kan bezwaard worden,
zonder het bezwijken van eenig steun-
punt te veroorzaken. Indien wij dan de onbekende drukkingen, door dien
grootsten last op de steunpunten uitgeoefend, respectievelijk door Xi,x,,x 3 ,
X 4 , enz. voorstellen, hebben wij al dadelijk
Fis. 1.
L =
enz.,
waarin nu de onbekenden alien positiet moeten zijn, en respectievelijk de
grenzen A,,A 2 ,A 3 ,A 4 , enz. niet mogen overschrijden. Daar voorts de steun-
punlen gegeven zijn, mogen hunne coordinaten, ten opzigte van twee onder-
ling regthoekige doch overigens willekeurig door getrokken assen OX' en
OY', als bekendcn worden aangcnomen; deze coordinaten respectievelijk door
(a\,b\), (a', ,6',), (a' 3 ,b',), enz. voorstellende, hebben wij dan verder, uitde
15*
'20 OPLOSSING VAN EEN STELKUNSTIG PROBLEM A.
evenwigtsleer, voor de eenige voorwaardcn, waaraan de onbckcndc drukkingen
nog moctcn voldoen :
o',.r, + ';,*, +a' s * 3 + a' 4 x t + enz. = ........... (')
en
&'i *i + *'i *, + *' *, + ^ 4 *4 + cnz : = ........... (.'>')
Hicruit blijkt dan onmiddellijk, dat dc bcgeerde groolstc last niet anders
is, dan dc som der onbekcnden, zooals die, uit dc oplossing van hot in 1
opgegcven stelkunstige problema, gcvonden worden.
16.
De resultante .2" (A) der gcgevcne draagvermogens, zal liet horizontale vlak
orgens in C snijden. De coordinaten c en d' van dit punt C, dat wij liet
centrum der draagvcrmogens zullen nocmen, mogcn wij altijd als positief aan-
merken, omdat dc ondcrscheiding van de positievc en negatieve rigtingen der
nssen gebecl willekcurig is. Wij hebbcn dan
2 (a 1 A.) ^(6'A)
C - *(A) " d * SM 5
waren dus 2 (a' A) en 2 (// A) beide nul, dan zou bet punt G in vallcn,
en de grootste last in zou dan gelijk zijn aan de resultante der draagver-
mogens, en dus L = -2" (A).
Waren 2 (a A) of S (V A), en dus ook c of d', ecu van beide nul, dan
zou het centrum G op een der assen X' of Y' liggen. Is dit echter het
geval niet, dan kan men, met behoud van denzclfdcn oorsprong 0, nieuwe
onderling rcgthoekigc assen OX en OY aanncmcn, waarvan cr ccne, b. v.
OX, door het centrum C gaat; en dan zal, ten opzigte van die cene as, de
som van de momcnten der draagvermogcns nul wezen.
Dit alles is blijkbaar in overeenstemming met hetgeen in 2 is aangc-
voerd.
Laten dc nieuwe codrdinalen der steunpunten voorgcsleld worden door
( n i ) b\), ( 2 ) bi), {a 3 , 6 3 ), enz., dan worden de voorwaardcn, waaraan de
onbekende drukkingen x lt x if x 3) enz. voldoen moeten, uitgedrukt door de_
vergelijkingen :
OPLOSSING VAN EEN STELKUNSTIG PROBLEMA, '21
a, x i + a 1 x 2 -}- a 3 #3 + a 4 #4 + enz. = 0, ........... ()
en
b, x { + 6j x t + 6 3 # 3 + 6 4 * 4 + euz. = 0, ........... (|?)
lerwijl de nieuvvc coordinaten van hct punt C zijn
,
(A)
waaruil volgt dat -2" (a A) positief en -2'(&A)=0 is.
De hier verkregene nieuwe vergelijkingen () en (i?) zijn volkomen dezelfde,
als de nieuwe vergelijkingen () en (P), die wij in 5 opmaakten. Want
zij qp de hock van de nieuwe assen met de oude, en stellen wij Cos. 9 = p
en Sin.(p = q, dan is, even als in 3,
.S(a'A) c' ^ (A) c^ _ Cos.y _ jt?
= = == '
^ (V A) d'^(A) f -Sin.
de nieuwe coordinaten van eenig steunpunt Avorden dan verder in de oude
coordinaten van dat punt uitgedrukt, door de formulen:
a = a' Cos. qp -j- b' Sin. r drukkingen bet geval wezen. Zoo wij dus onderstellen dat er geenc sleun-
punten op de as OX liggen, moeten er zeker twee steunpuntcn, aan weers-
zijden van die as gclegen, niet ten voile belast zijn. Terwijl bet blijkbaar
mede onmogelijk is, dat de niet ten voile belasle punlen beide aan de andcro
zijde van OY zouden liggen, dan waar bet centrum C zicb bcvindt. Dit
alles stemt blijkbaar overeen, met hetgeen in 4 is aangevoerd; de com-
plcmenten der drukkingen zijn hetgeen wij daar de complementen der onbe-
kenden genoemd bebben, terwijl de aldaar besprokene vcrminderingen der
onbekenden, bier de ontlastingen der steunpuntcn zijn.
Lalen P,. en P, (Fig. 1) twee niet ten voile bclaslc slcunpunlcn zijn en
lalen de drukkingen aldaar tot complemenlen hebben v r en v s , dan hebben
deze complemenlen gelijke momenlcn len opzigle van de as OX. Indien dus
deze as, door cene lijn, uit P r naar P 4 gelrokken, in bet punl S gesneden
wordl, geven deze complemenlen in bet punl S eene resullanlc v r + v s , die
len opzigte van Y lol moment heeft (v r -r v s ) X S. Hel moment der draag-
vermogens OC X 2 (A) 2 (a A) wordl dus, door de genoemilc onllaslingen
der sleunpunlcn P r en P s , verminderd lol
dit moment moel mil worden, indien de genoemde onllasling loereikend zal wc-
zcn, opdal dc last in gedragen wordc, wiens grootle dan door -^(A) (v r + v e )
wordl nilgedrukl. Om dil moment nul le doen wordon, zal ecne kleincn-
waarde van v r + D, nicer afdoen, naargelang dc lijn OS grooter is; maar
hoc klciner v, + v s is, des le grooler blijfl de lasl 2 (A) (v r + v s ). Om
OPLOSS1NG VAN EEN STELKUNST1G PROBLEMA.
'25
Fig. 2.
dus de last zoo groot mogclijk le laten blijven, moet men bij voorkeur de
steunpunten ontlasten, wier voreenigingslijn het grootste stuk OS van de as
OX afsnijdt.
Dit komt wederom overeen met hetgeen in 5 gebleken is. Want, de
eoordinaten van het punt P,. door a r en 6,, die van het punt P, door a, en
b, voorslellende, hebben wij, voor de vergelijking der lijn P r P,,
x a r a s a r
'y^br^b^br'
daar nu, voor y = 0, x = S moet zijn, vinden wij hieruit
a s b r a r b s
~yny~
hetgeen dezelfde uitdrukking is, die wij in 5 door F(r,s) voorstelden.
Beschrijft men dus, zooals in Fig. 2, eenen veelhoek zonder inspringende
hoeken, wiens hoekpunten elk in een der
steunpunten P vallen, en zoodanig dat er geene
steunpunlen P buiten dien veelhoek blijven;
en trekt men daarna uit het gegeven lastpunt
0, door het vooraf bepaalde centrum C der
draagvermogens, eene lijn die den orntrek des
veelhoeks ergens in S ontmoet, dan zijn de
steunpunten P ra en P n , die men bij voorkeur
ontlasten moet, gelegen op de veelhoekszijde,
die door het punt S gaat.
Door de overige steunpunten aan weers-
zijden van OX gelegen, twee aan twee te
vereenigen, snijdt men evenzoo van de as OX stukken OT, OU, 0V, enz.
af, die door hunne afdalende grootle de sleunpunlen aanwijzen, die men ach-
lervolgens ter onllasting kiezen moet, tot dat de gezamenlijke ontlastingen
loereikend zijn geworden, om de overblijvende draagvermogens eene resultante
in te doen opleveren, die zoo groot mogelijk is.
20.
Laten v m en v n de complementen der drukkingen in P m en P n zijn, indien
men dan, uit de vergelijkingen
XPmS = v a X PS en .2 (a A) (v n + v n ) X OS = 0,
/ /' y'-/ ;'rp
s
S
7
/ c / v /\ FI
U 1
'i't OPLOSSING VAN EEN STELKUNSTIG PROBLEM.*.
voor v, a en v a waarden vindt, die de grenzen nict tc boven gaan, vindt men
in doze waarden de ontlastingen in P m en P,, die toereikend zijn, om don
grootslcn lasl in te bekomen.
Do hicr gcbezigdc vergelijkingcn zijn wederom gccne andere dan die van
6, omdat S = F (in , n) en P m S : P n S = b in : b n is.
21.
Vindt men ccbter voor v m en v n waarden, die de grenzen overschrijden,
dan moet men de slcunpunlcn P m en P n zooveel mogelijk onllasten, als be-
staanbaar is met bet behouden van de resultante der drukkingen op de lijn
OC, om ecrst daarna lot bet ontlaslen van andere sleunpunten over te gaan.
Hierbij valt nu te ondcrscheiden of bet centrum dcr bcide draagvcrmogens
A,,, en A n juist in , dan wel in s of s' aan dcze of gene zijdc van OX
valt. Valt dit ccnlrum in S, zoo kan men de beide stcunpunten gcbcel ont-
lasten, want men vcrkrijgt hierdoor complemcnten v m = A m en v n = A n , die,
omdat nu A ra "X P m S = A n X P n S is, almede eene resullante in S hebberi.
Naargclang cchter bet genoemdc centrum in s of s' valt, zal men of P n ge-
beel en P m gcdccltelijk, of P m geheel en P n gedecltelijk kunnen ontlaslen; want
in bel eerstc geval b. v. is A m X Pi s = A n X P s, dus A,,, x P S > A,, X P S
P S
en p^g X A n < A m , zoodat men, zonder de grenzen le overschrijden, v a A n
P,,S
(> n p"t>~~5 XA n kan ncmcn, om complcmenlen v ia en v n le bekomen, \\icr
A mo
resullanle in S vail.
Dil alles koml ovcrcen met hetgccn in 7 is aangeloond. Want ligl bet
cenlrum dcr beidc draagvermogens A m en A,, juisl in S, dan is b llt A, n + b n A,, = 0;
naargelang daarenlegcn dit ccnlrum in s of s' valt, komt de posilicvc of nega-
lieve waarde van i,,,A /n + 6 n A n in leeken overeen mel b m of b,,.
.Na op deze wijze dan de beide sleunpunlen P m en P,, zoovccl mogelijk
onllast le bcbben, zal men op eene dcrgelijke wijze tot onllasling van andere
sleunpunlen moelen overgaan; daarloe telkens de voorkeur gcvende aan die
steunpunlcn, welkc acblcrvolgens door dc in groolle afdalendc stukken OT,
OU, 0V, enz. worden aangewczen; tot dat men ten laalsle ccnc voldoendo
onllasling van sleunpunten gevonden lieelt, om de resullanle der in bet ge-
beel nog overblijvende drukkingen, of den grootslen last, in le bekomen.
OPLOSSING VAN EEN STELKUNSTIG PROBLEMA.
25
22.
Wanneer, door de vereenigingslijn van twee aan weerszijden van de as OX
gclegene steunpunten P, n en P n , het grootsle stuk OS van die as wordt af-
gesneden, zullen blijkbaar al de andere steunpunten aan dien kant van de
lijn P m P n gelegen zijn, waar het punt zich bevindt. Trekt men dus eene
vereenigingslijn, tusschen twee nieuwe steunpunten P p en P g (Fig. 5 of 4) aan
weerszijden van X gelegen, dan
zal het stuk 0V, door deze ver-
eenigingslijn van OX afgesneden,
niet in grootte onmiddellijk op OS
kunnen volgen; want trekt men
Kg. 3.
Fig. 4.
nog de vereenigingslijnen P m P ? en
P n P,,, die de as in T en U snij-
den, dan moeten de stukken T
en OU, indien niet beide zooals
Fig. 5, ten minste zeker een van beide zooals in Fig. 4, grooter dan 0V
zijn. Dit komt blijkbaar overeen met de in 9 betoogde cigenschap, vol-
gens welke de vereenigingslijnen, die het grootste en het naastgrootere stuk
van OX afsnijden, uit eenig zelfde steunpunt moeten voortkomen.
Heeft men nu, bij eene aanvankelijke outlasting der beide eerste sleun-
punten, P m geheel en P n gedeeltelijk moeten ontlasten, zoodat men verder
het paar punten door T aangewezen niet meer gebruiken kan, dan zal eene
volgende ontlasting zich over de door OU aangewezene steunpunten P n en
P p moeten uitstrekken. Is echter aanvankelijk P n geheel en P m gedeeltelijk
moeten ontlast worden, zoodat hot paar punten door U aangewezen niet
meer bruikbaar is, dan zal eene tweede ontlasting zich al of niet andermaal
over P m uitstrekken, naargelang zooals in Fig. 5 OT>OV, of zooals in
Fig. 4 OT) dat grooter is dan ^(aA), zoo zal men aan de
vergelijking 2 (a A) S X -5" (v) = kunnen voldoen, zonder dat een der
complementcn zijne grcns ovcrsclirijdl, door voor die complementen kleinere
waarden dan de zoo even bepaalde te nemen, waartoe men b.v. deze laatsten
in eene zelfde verhouding zou kunnen verkleinen. In dit geval wordt dus,
door alleen de beschouwde vijf punten to ontlasten, de grootste last in
gevonden; en de gezamenlijke ontlasting dier steunpunten, die dan altijd door
^C* / A \
- ^ wordt uitgedrukt, kan over de vijf steunpunten op ontelbaar verschil-
lende wijzen verdeeld worden, waarvan de genoemde evenredige verkleining
er eene oplevert.
Is echter het bovengenoemde moment OSX-^OO kleiner dan S'(aA),
zoo is de ontlasting der vijf steunpunten ontoereikend ; alsnu zal men die
ontlasting zoo ver mogelijk moeten uitstrekken, dat is, men zal de ontlas-
tingen juist gelijk moeten nemen aan de complementen die gevonden waren
* Dit een en ander met betrekking tot steunpunten in eene regie lijn liggende, meen ik als be-
kend te mogen aannemen. Zie J. P. DELPHAT, Beginsden der Mechanica 104.
28 OPLOSSING VAN EEN STELKUNST1G PROBLEMA.
ccnc groolslmogelijke resullanlc in S op tc leveren; hicrdoor zullen van onze
vijf steunpunten, diegene wclke aan eene zijdc van OX liggen gcheel ont-
last worden, terwijl er voor de andcrcn ecnc gcheele en eene gedeellelijke
outlasting uit kan voortvloeijen. Na dcze onllasting, zal dan ecne onllasting
van nieuwc steunpunlcn inocten volgen.
Het onllaslcn van drie of mecr stcunpunlcn, dat zich aanvankelijk voor-
doet wanneer die puntcn op de door S aangewezene veelhoekszijde liggen,
kan ook na voorafgegane onllastingen van anderc sleunpunten voorkomen. Dit
zal het geval zijn, indien zij in eene vereenigingslijn liggen, die van OX
een sink afsnijdt, dat in groolte volgl op de lijn, die de laalst voorafgegane
outlasting heeft aangewczen. Zoo wordt b.v. in Fig. 2, welke figuur naar
het getallenvoorbeeld van 14 geteekend is, eerst de ontlasling dcr punten
P,,i en P n door de lijn OS aangewezen, waaruit eene geheele outlasting van
P n en eene gedeellelijke van P m voortvloeit- vcrder wordt door de lijn OP/
het punt PI aangewczen, dat geheel ontlast wordt; daarna wijst de lijn OT
de drie op eene regie lijn liggende steunpunten P m , P p en P ? ter ontlasting
aan, waarvan de beide laatstgcnoemden geheel, en het punt P m andermaal
gcdeeltelijk ontlast wordt; cindelijk wijst de lijn 0V de punten P m en P< aan,
die nu nog geheel ontlast worden; zoodat de grootste last, die in door
al de steunpunten gedragen kan worden, alleen door de beide overblijvendo
steunpunten P gedragen wordt, en gelijk aan de som van beider draagver-
mogens is.
Ook dit ecn en ander strookt volkomen, met hetgeen in 12 en !">
over hot vcrminderen der onbekenden gezegd is.
iNa alzoo lhans ook het verband aangetoond to hebben, dat ovcral tus-
schen de stelkunslige oplossing van het opgegevene problema, en de even-
wigts-beschouwingen tcr bepaling van den groolsten last, bestaat, meen ik
de taak die ik mij voorslelde te hebben volbragt; en eindig ik met den
wensch, dat ik hierdoor eene niet geheel nuttelooze bijdrage lot de toege-
pasle mcchanica moge geleverd hebben.
Brcdn, Maart 1859.
T H E O R I E
INTENSITEITS-KOMPAS
EN VAM
ZIJN GEBRUIK OP IJZEREN EN HOUTEN SCHEPEN.
DOOR
f. J. S T A M K A R T.
In hot Achtslc Deel, bladz. 599 der Verslagen en Mededeelingen is aange-
wozen wat ik met den naam van Inlensileils-Kompas gemeend heb te mogen
bestempclen, te weten: lwee kompas-naaldcn, ieder voorzien van hare rozen,
mct de middelpunten vcrtikaal boven elkander opgehangen, op zoodanigen
afstand, dat door de wederkeerige magnetiscbe werking dc naalden buiteri
het vlak van den magnetischen meridiaan gebragl worden, de eene naar de
linker-, de andere naar de regterzijde eenen hoek met dit vlak niakende."
De wijze van ophanging of ondersteuning der naalden is de gewone, name-
lijk door middel van eene stift en agaten-dop voor elke naald, dierwijze dat
beide naalden geheel vrij in hare bewegingen in een horizontaal vlak blijven.
Er dient eene inrigting bij te zijn waardoor men -den afsland der stiften die
de naalden dragen, kan wijzigen, en ook de maat van dien afstand kan ai-
lezen, terwijl voor hot gebruik het geheel in eene doos of, gewoonlijk ge-
noemd_, ketel bevat moet wezen, welke op de gewone wijze in beugels zal
inoeten hangen om steeds eenen horizontalen stand te kunnen behouden. Eindelijk
moeten nog beide rozen gelijktijdigafgelczen kunnen worden. Deze vereischten
zijn, ofschoon zij eenig overleg vorderen, ligt te voldoen : bepalen wij ons voor
beden tot de theorie van den stand der beide naalden, en hoe daaruit de
17
ISATUURK. VERB. DER KONIKKL. AKADEMIE. DEEL VII.
2 THEOR1E VA\ HET INTENS1TEITS-KOMPAS.
horizontal inlensileit van hct magnetismus op do plaals dcr naalden kan wor-
dcn afgcleid, en vorvolgcns, aan boord van schepen, ook dc afwijkingcn van
hot kompas, voorlgcbragt door de aantrckking van lict scheeps-ijzer.
Wij znllon dc ccnvondigc ondcrstelling aanncmen, dat de magnetischo
krachlen der naaldon in I woo punlen gcconconlrecrd zijn, in dc bcidc polen,
docli vooraf aanwijzen, dat doze onderstclling, ook wanncer dc naaldon zeer
nabij elkandor zijn, voldoend naauwkeurigc uitkomstcn gceft.
Onderslollen wij twee magncotnaalden of staven, in horizontale vlakken go-
logon, maar ovorigcns in eenen willekenrigon bctrekkelijken stand, de cone
bewegehjk om haar midden, de andore vast liggcnd. Zij (Fig. 1) m en M
de projection dor middolpunlcn dcr stavcn op een horizontal vlak; m n dc
lid ft dor cone M N do helft der andere staaf; n en N de noordpolcn, waar-
door wij die vcrslaan welke bij eene vrijc ophanging zicb naar bet noordon
\vondon. ni N'on M N' de rigting van don magnetischen meridiaan.
Do halve lenglc dcr slavon mn = I,
MN = L;
DC project ic van don afsland dcr iniddclpunlcn . . . m M = Q,
Hcl vcrxchil van vorlikalc hooglc = h,
Dc hook dor projoclio in M, met don meridiaan . . . N'wM = .
/ij in n dc licwegelijke naald, en hare arwijking, gerc-
kend naar bet weslen N' m n = .
(Ml Q L Co*. (
Y = Mm r-a (1 + _) (y + L -Sin. y).
Wanneer men in deze uitdrukkingen L en M negatief stelt, waardoor ook
n verandert, dan verkrijgt men de krachten, die uit de zuidpool der staaf M
op de noordpool n der naald m werken; deze krachten zijn dus
X' = + Mwir-s (1 + t t ') ( x l ~L Cos. y),
Y' = + Mm r s (i _j_ p') (y L Cos. yi).
De krachten welke van de staaf M uitgaan en op de noordpool n der naald
werken_, zijn dus:
X n = X -J- X' Mm r~ 3 | 2 L Cos. ip -|- (.<*' I") (* (f' "i" ") ^ ^' C)S> ^'} '
Y n = Y -j- Y' == Mm r- 3 { 2 L AStn. v + (,<' f ) . y (,"' + ,) L Sin - ^}
17*
4 THEORIE VAN HET 1NTENS1TEITS-KOMPAS.
Door in deze uitdrukkingen nu wcdcr / en m negatief le nemcn verkrijgt men
de waardc der krachten die van de staaf M uitgaan en op de zuidpool der
naald in werken ; deze zijn dus:
X s = Mm r-3 {+ 2L Cos. ./ (u" ,,"') (a? + 1) + (," + p"') L Cos. y},
Y, = Mm r-3 { + 2 L Sin. y (" /*'") . y + (,t" -f- ft'") L Sin. i//} .
De aard-magnetische krachlen welke op de polen n en z der naald m wer-
kon, zijn:
X' n = mi Cos. (f, Y' B = mi Sin. ) + L i <7o*. i/', voor + L en + Z,
r 5 p' -|-eLCo.(a ') -f p I Cos. (a + g>) LlCos.y, L // +/,
LlCos. v, L >/ i,
LZCos.v, + L * ?.
Terwijl ;> en ^ verbonden zijn door de vergelijking
f* = (1 -2p)~}_ 1.
THEORIE VAN IIET INTENS1TEITS-K.OMPAS.
Wanneer wij onderstellen, clat dc staaf M ook vrij oni haar midden kau
bcwegen, maar zoodanigen stand heeft, dat de op haar werkende kracliten cen
resulterend koppel = nnl geven, dan kan de hiertoe dienende voorwaarde ge-
makkelijk uit de vergelijking (2) worden afgeleid. Men verwissele m met M,
/ met L, Q met ? en, omdat de afwijking 9 in de figuur naar het Westen
c = L i Cos. i/-,
dan is
p =(-a + & + c):r ! ,
X =(+a + 6 c}:r\
p" =(+a-6 + o):r*,
/>'" = ( a i-c):r j ,
waaruit
p + P' + p" 4- P"' = o,
I (P 2 + P' 2 + P" 2 + P"' 2 ) = ( 2 + i 2 + c 2 ) : r 1 ,
I (p 4- p 's + p "3 + p /..jj = _ Q- a i c . r * t enZi .
{(P -P' -P" +P" 1 ) =-a:r\ | (p + p' p" - p'") = +6:r>,
ac:r',
|(p3 _ p '3 _p"s -f-p'"S) == a (a 2 + 36 2 + 3c 2 ):r 6 , enz.
i(P z +P >3 P" 3 P'" 3 ) = +&(&* + 3 a 2 + 3c 2 ):r 6 , enz.
Dus
t + .' *"' 3- 5 a^i'c* 3.5.7 s 6abc
\S - _!_. gi}2.,
1.2 r 4 1.2.3 r
3 a 3.5 26c 8.5,7 a(a* -f 36 2 + 3c 2 )
3.5.7 6(6^ + 3a 2
X
..
4 ~TV~1.2 X r h 1.2.3
waardoor de waarden der coefficienten in p der vergelijkingen (2) en (3) tot
in de derde orde ontwikkeld, gegeven zijn, hetgeen, in genoegzaam alle ge-
'. TUEORIE VAN I1ET INTENS1TE1TS-KOMPAS.
vallon van toepassing, voldoondc is. Men kan ook, in stede van de groolbcden p
wrder de afslanden R invoeren, wclke in fig. 2 zijn voorgesteld. Aldus komt
Ill
De vergelijkingen (2) en (5) of (4) en (5) bevallen in zich dc oplossing
van alle vragen omtrent de standen van twee kornpasnaalden die wederkeerig
op elkander invloed uitoefenen, of van den stand van een kompas onder den
invloed ran eene vaslliggende magneetstaaf, in de onderstelling, dat de mag-
netiscbe kracbten als in de beide polen opgehoopt mogen aangcnomen worden.
Alvorens verder te gaan, zullen wij door eene proefneming aanwijzen, dat
deze onderstelling tot in nabijheden der beide magneton waardoor de afwij-
kingsboeken zeer grool worden, met eene voldoende naauwkeurigbeid mag
aangenomen worden. De bedoelde proef is genomen met eene magneetstaaf
gelegen in de rigting Oosl-West eenmaal ten Noorden en ten Zuiden van
oen kompas, en een andermaal ten Oosten en ten Westen van bet kompas.
In bet eerste geval is == of 180' en = 90 -f , + g> = 180 + (f, h = 0, a = 0;
dus, volgens (4):
I Sin. (f> =
waaruit
> 3
Tang. ') en (7) te doen overeeiistommen volgf
nil deze gelallen, dat men moet nemen, bij / = 0,00,
0,800
1 000
1 200
1 400
Meters
395'
2417'
1536'
. . . . 60 16
38 49
24 80
15 37
THEOKIE VAN HE'D INTENSITEITS-KOMPAS. 9
L = 0,2034 , Log. [ 2 } = 9,56689 en Log.fi] = 9,65648.
\ * ; \ * i
Berekent men met deze gelallen de hoeken van afwijking van het kompas,
dan komt:
Slaaf ten Zuiden of Noorden.
Afstanden . . . 0,603 0,703 0,802 1,002 1,202 1,401 1,601 Meters.
Afwijking . . . 58"22' 42'30' 330' 1914' 11'38' 728' 53 r Berekend.
... 53 21 42 35 32 39 19 12 11 37 7 27 59 Waargen.
Ber. Waarn. +1' 5' + 21' + 2' + 1' + 1' 6
Staaf ten Oosten of Westen.
Afstanden . . .
Afwijking
//
Ber. Waarn. . . 10' -f 16' 13- 1'
DC som der waarncmingsfouten der 11 hoeken beloopt + T , gemidd. + 0,6.
De middclbare font eener waarneming is 11'.
Het komt mij voor, dat deze uitkomsten de onderstelling van twee pool-
punten in regelmatig gemagnetiseerde staven genoegzaam regtvaardigen. De
iouten der groote afwijkingshoeken zijn niet aanmerkelijker, dan die der
kleine, en geheel binnen de grenzen die men onder de gegevene omstandig-
hetien vcrwachten mogt: eene opgeplakte papieren roos, waarvan de fouten
van verdeeling minstens i grand beloopen kunnen, en in het algemeen bij ver
afgelegene verdeelslrepcn 1 bedragen; eene aflezing bij scliatting der on-
derdeelen van graden, ieder ter grootte van H millimeter; verder de fouten
uit een niet volkomen op den juisten afstand plaatsen der magneetstaaf enz.
Desniettemin kan de lengte van L niet grooler of kleiner aangenomen \vor-
den, zonder de fouten met de staaf Z of N, of die met de staaf of W
van het kompas merkelijk te vergrooten.
Gaan wij over tot de besehouwing van het Intensileits kompas; zij, fig. 4,
NZ eene horizontaal vrij opgehangen magneetnaald; N'Z' eene andere, met
haar midden vcrtikaal onder of boven het midden der eerste naald, zoodat
tusschen deze naalden geen ander verband bestaat dan de wederkeerige mag-
netische werkingen. Wij behoeven nu slechts in de formulen (2) en (5) of
(4) en (5) de afstand = te stellen, dan komt:
18
JUTUUr.K. VERB. DER KOMNKL. AKAPEMIE. DEEL VII.
10 THEORIE VAN HET 1NTENSITEITS -KOMPAS.
c = p = p' = p" = />"' = Cos. i/< ; a = 6 = ;
HV^-f^ 8.6 3.5.7.9 SJLL^iLl* .
4 1.2 r 1.1.1.4 1.2.8.4.5.6
of
3.5 L'J' 3.5.7.9 L 4 /* 3.5.7.9.11.13 L /
* - ii ' Tf- C 5 ' 2 "' + 1^874 <*"' * + 1.2.3.4.5.6 ' 7^ C - * + - - ()
2 M L 2 m Z
r 3 Sin. 9 = (1 + 5) 5m. y, r 3 5m. 9' == ^- (1 + j) Sw. t// . . . ( 1 0)
2 I
waarbij
r = /* + L -f J, y = (p + gp'.
De forinulen (10) bcvaltcn in zich al dc theorie van hct Intcnsileits-koinpas;
/ij bevatten ook de theorie van bet kompas van WALKER, en bet bevvijs
waarom dit laatste niet aan bet voorgestelde doel kan beanlwoorden. Do
eenvoudigc opmerking, dat de hoeken
m/ dan moot hierloe
2ML . 2ml
en
2 ML 2 ml
(11)
. r
Wanneer r zeer groot, of groot genoeg is, heeft de eerste voorwaarde niet
plaats; wannecr r klein, of klein genoeg is, is daarentegen de tweede voor-
waarde niet vervuld; dit zijn dc gevallen, die wij boven noemden, wanneer
alleen evenwigts standen in den meridiaan kunnen plaats hebben. 10 mi - ML
(zonder het geringste verschil) dan heeft de tweede ongelijkheid altijd plaals,
en dus zoude er dan voor eene kleine waarde van r, wanneer ook de eerste
voorwaarde vervuld is, geen stabiel evenwigtsstand in den meridiaan plaats
vindcn. Dit ecliter kan niet verwezenlijkt worden omdat er, streng genomen,
altijd verschil tusschen ML en ml zijn zal.
Stellen wij,
2ML-t-2mZ == A,
en
2ML : Zml = 1 -f : 1 ,
Of
2ML = ' A(l+ ),}
' ................. (12)
2 ml = I A (!).)
dan is A een standvastig magnetisch moment, en een klein standvastig
getal voor het stelsel der beide naalden, zoo lange deze onveranderd dezelfde
magnetische krachten behouden, en men vindt:
Sin. cp : Sin. qp' = 1 -|- : 1 ,
waaruit
Tang, i (
') = Tang. * i/',
J^
i = Cos. (5.
3
r
(13)
Cos. I? is in het algemeen grooter dan Cos. i y, dus (J < i ^ raaar als de
naaldcn vveinig in magnetisch moment vcrschillen, zoo als wij onderstellen,
dan is ook het verschil tusschen |5 en i v doorgaande goring, althans wanneer
de afstand tusschen de heide naalden niet te klein- is. Men ziet dus dat de
intensiteit i ongeveer evenredig is aan den Cosinus van den halvcn hoek tus-
schen dc naalden.
en A, gelijk ook L en / moeten voor ieder intensiteits-kompas door waar-
neming hepaald worden. Wat hetreft, de cenvoudigste wijze om deze groot-
heid te vinden is^ dat men voor zekeren stand der naalden (fig. 4) de hoekcn
waarneemt welke clke naald met eene willekeurig gekozen middellijn maakt;
dat men daarna, door middel van ecu magneetstaafje, of'anderzins, de stel-
lingen dcr naalden verandert, zoodanig dat N' naar liet Westen en N naar
het Oosten afwijkt; en dan, nadat de naalden weder in rust gekomen
zijn, nogmaals de stellingen waarneemt weike de naalden ten opzigte van
dezelfde willekeurig gekozen middellijnen maken. De helften der door de naal-
den doorloopen hoeken, zijn dan gelijk aan <* en aan |* gevonden wordt, zoodat men liglelijk |S = iy (i ' ) kan
vinden en daarna i berekenen. Men zoude ook eene tafel met twee argu-
menten h en i/> kunnen maken, welke onmiddellijk i gaf. De eenheid dezer
grootheid zoude dan wezen de horizontale intensiteit op de plaats en den dag
of het uur der gedane waarnemingen ter bepaling van , A, L.
Tot toepassing der gevonden formulen diene de volgende waarnemingen
gedaan met twee eenvoudige kompasnaalden, voorzien van gewone papieren
H
TI1EORIK VAIN IIET INTENSITE1TS-KOMPAS.
rozeu. Zij \\aren beslotcn in ccn ccnvoudig houlcn kaslje, van voren en van
boven door glas geslotcn, zoodat de stellingcn der naalden gezien kon wor-
dt'ii. Ecn vertikaal loopendc draad diehde om de verdeelingen te kunnen
aflezen. De lengte der naalden = 141 mm., breedte = H mm., dikle = 2 mm.
Zij lagen plat, dat is met de breede zijden horizontaal.
Ik bcb, op vijf verschillende hoogten der naalden boven elkander, de afwij-
kingsboeken
'
dq, = .- -dtp = _ d
en
Tang. v + -i- Tang.'
lang.y \lang.* qi
waaruit voor ' niet groot, zelfs klein kunnen zijn. Wanneer de naal-
den aan draden hangen en op de gewone wijze van spiegelljes voorzien zijn,
dan zoude het zoo kunnen ingerigt worden, dat men gclijklijdig do verande-
ringen van rigting en intensiteit in denzelfden kijker konde waarnemen.
Eene verandering van rigling der magnclischc kracht doet beide naalden eene
gelijke hoeveelheid draaijen; eene verandering van intensiteit heeft alleen in-
vloed op den hoek y = f + *?'
Bij eene ophanging aan draden is er eene moeijelijkheid, (indien, zoo als
noodig schijnt, elke naald aan eenen afzonderlijken draad zal hangen,) om de
nn'ddelpunten der naalden vertikaal boven elkander te bekomen en niet iols
meer dan dc halve horizontale breedte der naalden verwijderd; raaar behalve
dat men de naalden met de smallere kanten (zoo deze er zijn) naar boven kan
hangen, zoo is zulk een volkomen vertikaal boven elkander hangen der middel-
punten niet volstrekt noodwendig. De voorgedragen formulen (4) en (5) bevatten
in zich de correction, welke uit eene kleine waarde van e moeten voortvloeijen *.
* B\j deze wijze oin gelijktijdig de veraudering van rigting un van intensiteit der horizoutalc
magnetiselie kracht waar te uemeu, zoude men zich ook van ecu onverandcrde afstand der naalden
boven elkander moeten verzekeren, iets, dat bij rekbare draden niet wel aangenomen kan worden. T)r
mogelijke veranderingen in den vertikalen afstand lutcn zich echter ligt onderzoeken, door b. v. de
naalden aau vertikale koperen stangen CM en DM' (fig. 6*) tc verbinden, welke aan draden hangen;
en door op die stangen, op gelijke hoogte, twee merken E en F te maken, waarop een horizontaal
mikroskoop PQ, dat b.v. op- en nedergeschroefd kan worden, kan gerigt zijn. De vernnderingen in
het vrrschil der hoogte MM' kunnen aldus ligt worden nagegaan.
THEORIE VAN HET INTENSITEITS-KOMPAS.
In geval
a, = 90 en dus Sin.y' = is,
1+a
heeft men ook
1 fr
y> = 90 -}~ qpi' , Cos. \\i = .
en alzoo, volgens (14)
\~i
_ Aj,. f 3^5/l-\> /Ly 3 ..6,7,9 /l-.y W +eni l . (18)
r 3 I r l.-2Vl+/ \r) r 1.2. 3. 4 \l + j \r/ )
Dit geeft aanleiding tot nog eene amlere inrigting voor ecu intensiteits-
kompas, te weten met eenea standvastigen hoek y = 90 -{- . 8-
. 3 Sin.
-.T
A E + (H + Fj S&i. A (C + G) Sin. b
p= 2N
D + B (C + Qt)Sin.h (H + F) -Sin. b
g == 2N -
Verder heeft men de formulen (9).
=
on nog de formulen (12).
TQHO.
bin. (op a]
r-\-p Sin. 2 a 1 + o Cos. 2 a'
-
1 +p<7o.2o' o 5in. 2 a'
m Sin. a' -\- n Cos. a'
Cos. a
t Sin.b,
+pCo8.2a' qSin.
De gewone wijze ter bepaling der coefficienten m,n,p enz. is, dat bij ver-
schillende koersen a de afwijkingen v bepaald worden, waarna, met behulp
der eersfe uitdrukking (9') hierboven, die coefficienten gemakkelijk gevonden
worden: Het nu op te lossen voorstel is, om uit de waarneming van groot-
heden, die evenredig zijn aan R, overeenstemmende met de schijnbare koer-
sen a', die zelfde coefficienten te bepalen. De zaak is in het algemeen
mogelijk, met uitzondering van de kleine grootheid r, welke aldus niet ge-
vonden kan worden, want stellende r = Tang, x, en vermeerderende a He de
hoeken a met x, waardoor qp overgaat in ?' zoude ontbreken. Bij de onbekende waarde van i op de plaats der
waarneming, kan dus x niet bepaald worden. Wij behoeven evenwel de vraag,
zonder practisch nut, niet moeijelijker maken, en mogen daartoe a priorie de
waarde der groolheden r, p, q als bekend aannemen. Deze grootheden toch
zijn, zoo als in de aangehaalde verhandeling is aangeloond, gcnoegzaam stand-
vastig, en moelen eens vooral (of meermalen, om een gcmiddelde te kiezen)
in eene haven bepaald worden, op de gewone wijze, door het doen rond-
zwaaijen van het schip. r, p, q dus bekend zijnde moeten nog alleen m
en n gevonden worden.
Wij onderstellen, dat liet schip verschillende koerzen gestevend heeft, en
dat men daarbij meermalen den hoek y tusschen de beide naalden van het
inlensiteits-kompas heeft opgeteekend, voor eenen standvastigen afstand der
naalden boven elkandcr. Dat dus voor eene niet te uitgcbreide pick van de
oppervlakle der aarde, voor verschillende koersen a< volgens het inlensiteits-
kompas zelf, de hoeken ft der form. (13) gevonden zijn. De koersen a' van
het intensiteits-kompas vindt men ligt, door op te merken, .dat het Noorden
van dat kompas gelegen is bijna midden tusschen de noordeinden der beide
naalden, en juist een Boog, Tang. = Tang, i y, uit dat midden verwijderd,
naar de zijde van de sterkste naald toe. Men heeft dan voor de gezeilde
koersen a' de hoeken p, en de intensiteilen i ~ Cos. ft = CCos. ft .... (13)
Deze intensiteit i is de kracht R waardoor het kompas aan boord gerigt wordt,
Wij bekomen dus voor de tweede vergelijking (9')
Q
. Cos. ft = Cos. q> -}- r Sin cp m Cos. a' -\- n Sin a' p Cos. (2 a' q) -\- q Sin. (2 a 1 ) |/ l _ ( l f) ( m Cos. a' n Sin. a')
Deze twee vergelijkingen bepalen m en n; stellen wij ter oplossing
m Sin. a' -J- n Cos. a 1 = r
n Cos. a' n Sin. a' = y
is
Deze vergelijkingen herleiden zich tot 4 de magts-vergelijkingen van den twee-
den magts vorm. Eene benaderende oplossing waarbij de tweede niagten van
h en h' en bet produkt hh verwaarloosd wordt, is echter wel voldoende.
Men vindt aldus:
als h en h = zijn, komt
C l-(l-/)(l-y.)lM,. 1*
*t
Deze benaderde waarden, in de bovenslaande naauwkeurige uitdrukkingen
overbrengende, komt:
THEORIE VAN I1ET INTENSITEITS-KOMPAS. 25
(i- g )M 4- [\-(i-rm-9r-
_- __
H21)
-a-/Ta-y) 2 M-]* (l-y')M,,+ [ l-(l-mi-g') 2 M 2 9Q]*(l-/)(l-g)ft'M i
[1 -(I-/? (1-/T(1 -^(i-VJ'M'M'w]*
Wclkc \vaarden dcs gcvorderd door heibaaldc substitute in dc ver-
gclijkingen in x en y, naaiiwkeurigcr nog gevonden kuimcn worden.
Ilierbij behooren nu nog dc volgendc uildrukkingon:
lf = (1 + p 2 + 2 + r- + -Z (p + r + 9) Sin. 2 a' + (q~rp] Cos. 2 a'} ,
/,' = _ 2(1 f>) \ (p + r q) Sin. 2 a' -f- (7 r/?) Cos. 2 a' ] .
(liuui wij over tcr vereenvoudiging, door weglating van al \val, volgens de
naluur van bet voorstcl, mag verwaarloosd worden, dan valt in do por'sto
plaats op tc mcrken, dat p doorgaandc < T V is, zeer zelden 0,14 borcikl, en
gemiddeld op 0,07 kan gesteld worden. Wij zullen dus p 2 verwaarloozen.
Verder dat zeer zelden q en r 0,02 bereikcn; wij mogen dus deze groolheden
geheel verwaarloozen, omdat zij in de uitdrukkingen van x en y toch allcen
als factoren van M of M, JO voorkomen, on het al zeer wel is indien men op
x of y niet nicer dan s s der waarde font heeft. Aldus komt
f)= I \-pCos.Za' ,
/* =: 2 (1 f)p Sin. 2 a'=2 p Sin. 2 a' , /<' 2(1 f)pSin.Za'-
en dus
1 - M*
[1 M 2 M 2 9
(23)
20
^ATUURK. VEBH. I)EB KOKINKL. AKADEMIE. DEEI. VII.
ft
IHKORIE VAN HKT I \TE1VSITEITS KOMPAS.
x en // gevonden zijnde, hccft men nog do intensileit van het aard-magne-
tisnius op de plaals dor waurncming door do formulen
CcM.frgQf COS.? _C COS fc 70 + COS, fa
_
"
__
2 N ' (1 g) V l^r^/f^' ' ' N ' (1 ') V/l (I
Uit wclkc beido waarden een middon kau gcnomen worden.
De nildrukkingcn (25) worden nog ccnvoudiger, wannocr men waarnomin-
gen gcdaan hoeft met de koersen N on Z, en W, want dan is a' = 0, en
bij govolg
llelgoon dus do doelmaligslc kcu.s is. Men ziel dat de afwijkingen die met
liel schip N of Z, volgcns hcl kompas, plaals hobben, voornamelijk afban-
gen van de waarnemingen met het scliip on W, dat is van M^; tcrwijl
wederkerig, de afwijkingen van hot kompas mot de schijnhare koersen en W,
voornamelijk afhangen van de waarnemingen met bet scbip N en Z. Deze
npmorking gcldt voor alle streken, gelijk nit de vergel. (25) ligt te zien is;
zoodat lict Intensiteits-kompas niet de afwijkingen aanwijst, die werkelijk plaals
hebben, niaar zulke, die plaals znllen hebben, wanneer bet schip 8 streek van
koers verandert.
Hot Intensiteits-kompas geeft nog bet middel aan do band om den invloed
to bepalcn (allhans nabij genoeg voor de beboefle op zee) welke de ovorhel-
lingen van het schip op bel kompas uitoefenen. Tot bier hebben wij stil-
/wijgond ondersteld, dat de hoeken (5 gevonden zijn met een regt liggend
scliip. Mogt dit het geval nict wezen^ dan gelden zij oigenlijk voor het hel-
Ifiido scbip, en dus slechts zoo lang als die helling blijft beslaan, wanneer
luimelijk de hellingen van invloed zijn. Het is echler noodzakelijk bier op
le lellen. en dus ook, bij de opteekening van eenen boek tusscben de naalden
van bet Intensiteits-kompas tevens op le tcekenen de helling van het scbip.
Moglen dan, zoo als ligt gebeurt, bij denzelfden of nagenoeg denzelfden koers,
verschillende hellingen voorkomen, en mogt dit verschillendc hoeken I* geven,
dan is bet ligt na te gaan hoe groot |? is wanneer bet scbip regt ligt; vooral
wanneer hij de gedachte koers, hellingen over sluur- en over bakboord waar-
genomen zijn. Daar bijna nimmer een schip stand vastig eeno zelfde helling
behoudl, rnaar door de working van den wind van tijd tot tijd moor over-
THEORIE VAN II ET 1NTE1VSITEITS KOMPAS. 27
hell, en zicli wcder oprigt, zoo kan dc herhaling dezcr bewcging doen zien
of en hoeveel invloed zij op den hock dcr naalden van hot Intensiteils-kom-
piis lieeft. (Indien althans dit kompas op zee genoegzaam bruikbaar is, dat
iilleen de ondcrvinding kan lecren). Men bekomt dus op deze wijze niet alleen
de hoeken p" voor het regt liggend scbip, maar ook de gemiddelde verande-
ringen dier bocken voor de overhellingen en kan dus daaruit Aw en A
berekonen.
Men weel, dat de lout en door de overboiling ontstaande het nicest plaats
bebben bij noordelijke en zuidelijke koersen, en dat zij bij oostelijkc en wes-
telijke weinig te duchteri zijn, omdat door de overhellingen de coefficient n
het meest verandert, en de verandcringen der overige coefficienten bctrekke-
lijk gering zijn. Daar nu n voornamelijk bepaald wordt, door waargenomen
boeken p" bij de koersen en W, zoo volgt, dat bij deze koersen bet nicest
acbt moot gegeven worden op de veranderingen van den hoek tusschen de
naalden. Onderstellen wij dat de grootbeid m gering is, dan heeft men,
benaderend, bij den koers Oost volgens (19)
Cos.? = n + (I g) = 1 + n + p .
Laat nu bij eene overbelling h over stuurboord, P veranderen in |J -f- &$,
dan is
Maar Ap is zeer klein, en mag vcrwaarloosd worden, dus
Cos. /? Cos. (8 -j- A /*) A n
.XL? nagenoeg ,
Cos. p \-\-n-\-p
dus A n = (1 + n + p) Tang, jj X A ft ,
of slellende A = * X A / ,
komt x = (l+Ti+p) - Tang, ft .
Bij gevolg de afwijkingcn door de overhellingen ontstaande nagcnoeg
A -P = - - (1 + n + p\ - Tang. (3 X A Cos. a' ......... (26)
20*
'28 TIIF.ORIE VAN 1IF.T IMF.\'SITEITS-KOMP\S.
Indicti m nid goring is, dan mod (I ij) of in (lit geval (I -f p), ver-
meaigvuldigd wonlon met V \'~~ //'; men /id echter dat de liierdoor ont-
slaande verbelering niet grool xijn kan, /.oil's al was m overeenstcmmeml
md ecnc afwijking van '20% want dan nog zonde i T m 1 slechls 0,06 min-
der dan de ecnheid zijn.
lid toeken in de nitfhrukking (20) gwfl to konnen, dat bij ecnen koers
Noord en cone helling over shiurboord, liel kompas naar het Ooslen zal af-
wijken, dat is naar de lij-zijde van het schip. Bij de waarneming van den
hoek i?, met den koers Oost, is ondcrslelt dat p toenam, bij eene over-
helling over stintrboord-z\]dc; hieniit volgl, dat het noordcn van hcl kompas
in dil geval zich naar dc lij-zijde zal verplaalsen. In geval de hoek tus-
schen de naalden van hcl Inlensiteits-kompas was afgenomen met den koers
Oost, en eene helling over sliiurboord, dan zoude de afwijking van het kom-
pas naar de locf-zijde plaats gehad hebben. In het algemeen zal de afwij-
king van het Noorden van het kompas allijd naar dc lij-zijdc of altijd naar
de locf-zijde plaals hebben, naar gelang, bij ooslelijke of weslelijke koersen,
(wanneer de cinden dcr kompas-naalden naar de boordcn van het schip ge-
rigt zijn) dc noord-einden naar de lij-zijdc of naar de loef-zijde getrokken
worden; zijn de noord-einden het vcrste van het boord, dat men besehouwl,
verwijderd, dan opent de hoek der naalden zich bij eene aantrekking naar
dat boord; zijn de noord-einden het naast bij hel boord dat men beschouwt,
dan sluit de hock der naalden zich, bij ecnc aantrekking naar dat boord, ver-
oorzaakt door een oprijzen, of nederdalen van het bcschouwdc boord. Hel
is op deze wijze ligt le onderschcidcn wclk boord hel Noorden aantrekl, het
lij- of hel /oe/"-boord, altijd bij oostelijke of westelijke koersen, en om, wan-
neer men dit weet, ook bij noordelijke of zuidelijke koersen le welen naar
welkcn kanl de afwijking door de overhelling voortgebragt geschiedt.
Hel was van veel belang zoo men voor iedcre gegeven lengte en brcedte
de horizontal intensileit bekend had *; dan ware het ligt voor iedcre bcpaalde
plaals den hoek (?, en dus ook y, le vindcn welke de naalden van het In-
lensileils-kompas zouden moeten maken. Slellen wij toch in (19) MI en n 0,
dan komt
* In hoe verre de bekende theorie van GAUSS en zijne tafelen vnii Inclinatie, Peclinatie en In-
t- ii-itcit hiervoor voldoende zouden zijn is onzeker.
THEORIE VAN 11ET L\TE.\SITEITS-KOJIPAS.
N
Cos.? = - (1
VJ
of CM.? = - :iAi-'..-+gL+-r!)_ x i
V 1 4- p* 4- 9* 4- r 2 -f- 2 (p -\- rq) Cos. 2 a' 2 (q rp) Sin. 2 a' C
= N (1 p Cos. 2 a' 4- 9 Sin. 2 a') X - nagenocg,
C
en vcrvolgens i/. = funclie (j?).
Men had dus den hoek welke dc naalden moestcn wijzen, en zoude, op bet
oog af, bcooi'deelen kunncn of er al'wijkingcn bestonden > en ook in welkeu
zin zij phials badden, zonder eenigc bei'ekening. Twee waarnemingcn, bij
koersen die ongeveer 90^ van clkander moestcn verschillen, b. v. lusschcn (
en 10 slrekcn, vvaren dan voldoende om m en n te vindcn.
Slellende weder x = mSin. a' + n Cos. a' , x 1 = m Sin. (a 4- k) 4- n Cos. (a 1 4- k) ,
y = m Cos a' n Sin. a' , tj = m Cos. (a' 4- k) n Sin. (a 1 4- k) .
Wannecr dus het verschil der schijnbare koersen = k is, dan heefl men vol-
gens (19):
x' xCos.k x .r' Cos.k
maar y = - , y' = ?~~,~~ clus :
&. i -Szn. k
+(CoU ~ (1 ~ A)/ ^~ (l ~^ ) { 1 ~ Va
^^
._-> ^
(28)
of voerende weder dc hoeken I en I' in, zijnde Sin. k = (1 /) x,
O* 2 , /J >t\ t
C
Cos. [i (1 #U = T-^T + I - . /* }Sin. I 2 (1 gf) 5m. ' i
i (lf)Sm.fi \\f ]
(29)
~>0 THEOR1E VAN HET INTENSITEITS KOMPAS.
Indien de cerste leden dezer vcrgclijkingcn (28) of (29) voor do kocrsen
a on a + k, zijn, dan zijn x en x of A on A' ook = en bij gevolg
insgolijks m en n.
Wanneer men zicb beperkt tot eene bcnadcrdc bepaling dor afwijkingon I
Immen 1% dan zullen de laatste tcrmen der genoemde vergelijkingc'ii, in de
iwocde ledcn, verwaarloosd mogcn worden, zoo lang de cerste Icden, ieder
< 0,17 blijvcn, dat is zoo lang * en *' 10 niel te boven gaan. In dit geval
lioefl men, wanneer men, korlheidshalve, stelt
~ Cos.? - (1 -g) = A , Cos. p - (1 -.7') = B ;
fii jr enz. verwaarloost, als hinrboven:
A = (Cos.k 2 p Sin. 2 a' Sin. k) -
Sin. k Sin. k
+ B = - - - (Cos.k + 2 p Sin. 2 a" Sin. k) -
oin. A; otn. k
waaruit
* B (Cos. k+2p Sin. 2 a" Sin, k) A
Sin. k Sin. 1 k + 2p (Sin. 2a' Sin. 2 a") Cos. k Sin. k '
x' A (Cos, k - 2 p Sin. la! Sin.k) B
-Sin. k ~ Sin. ' k + 2 p (Sin. 2 a' Sin. 2 a") Cos. k Sin. k
Kn vorder
r' sc T j*'
in - - Cos. a' - - Cos. a" , n = - Sin. a" - - Sin. a'
Sin. k Sin. k Sin. k Sin. k
dus, na eenigc herleiding,
A Sin, a" - B Sin a' A Cos.a" Sin.2a"BCos.a' Sin.Za'
'
Sin.k + 2p (Sin. 2a'Sin 2a") Cos.k ' Sin. k
A 'Cos. a" B Cos. a A Sin a" Sin. 2a" B 5i.a'5in.2a'
^_ o
(30)
Stn.A; + 2// (,$'. 2a' Sin. 2a") Cos.k Sin. k
Indien A = 90\ dat liet doelmatigsle is, dus ook a" = o' + 90 is, komt:
m = (A. Cos. a' VSi?i. a) 4- (A&'n.a 1 B Cos. a') Sin. 2 a' }
... (31)
n = + (ASi'. a' + B Co.?, a') -f 2p (A Cos. a' -f B -Sin. a') Sin. 2 a 1 j
en zoo nog a =0 dus a" = 90 is, komt:
m = A , n = + B .............. (32)
THEOR1E VAN HET INTENSITEITS -KOMPAS. 51
Bovonstaande vergelijkingen, voor m en n, ondorstcllen steeds, dat men de
tweede magten van A en B kan verwaarloozen; mogt dit niet liel gevalzijn,
dan kan men eerst benaderde waarden van x en y berekenen en dan A en B
verbeteren, door er (' 0) {l v i~(i /j'-r 2 } on (\g') {l v \.(\f]x> l \
of ook j(i_0)(i_ /)* en J(i - ')(l -/) 2 *' 2 bij op te tellen; weder #
en #' te berekenen enz. tot men voldaan is. In bet laatste geval, a' =
a" = 90', geelt dit
m = A + (1 p) s n* , + B j(l +p)m ,
welke vergelijkingen ler behandelirig ook eenvoudig genoeg zijn.
In bet nlgcmeen is bet doelrnaliger te zorgen, dat de afwijkingen van bel
kompas steeds klein blijven, liever dan te trachten door waarnemingen en
berekcningen, groote afwijkingen te verbeteren, waarbij onvermijdelijk en de
vvaarnemingen en de berekeningen steeds lasliger worden, en de uitkomslen
minder zeker zijn. Om met bet Inlcnsiloils-kompas dit doel, kleine af-
wijkingen, te bereiken, kan met, vrucbl gebruik gemaakt worden van de
door AIRY uitgedachte manicr van bet leggen van magneetstaven in behoor-
lijke stellingen nabij bet kompas. Bij bet inlenstleits-kompas kan dit altijd,
zoo wcl op zee bij handzaam weder als in eene baven gescbieden, en
liiortoe scbijnl eene benaderde kennis van , n = B \ (1 +p) 3 wi.
Door het aanbrcngen van de langscheepsche magneetstaaf wordt m veranderd,
n onveranderd gelaten en A tot mil herleid; dus heeft men met de lang-
scheepsche staaf alleen:
m' = + 1 p*n* , n = B'
Door het aanbrengen van de dwarsscheeps liggende staaf wordt n veranderd,
m' onveranderd gelaten en B' tot nul herleid, dns komt met de heide staven :
m' = A' + \ (1 pY w' 2 , n' =, (
Alzoo m 1 = \ (l p) 3 (B 1 >fi +p) 3 m' 2 } 2 == ^ (l p) 3 .B' 1 nabij ,
en '= |(i +P) 3 "*' 2 = 1(1 P) 3 B' 4 //
W is alzoo lot ecne grootheid der tweede orde, n' tot eene van de
orde herleid; deze laatste kan verwaarloosd worden, dus zal de Iweede of
dwarsliggende slaaf als goed geplaatst aangenomen mogen worden; terwijl
uit de waargenomen waardc van B' hcrekend worden kan, hoeveel de eerste
staaf nog moet verplaalst worden. Beter echter is het, uit hoofde der on-
vcrmijdclijke waarnemingsfouten, vooral op zee, om hehalven de koersen
N en 0, ook nog andere koersen in aanmerking le nemen, en om door een
langzaam verzetten, naar gelang de reis vordert, en naar gelang dc nood-
wendigheid zich vertoont, de staven steeds 200 goed geplaalst te houden, dat
althans de tweede magten der afwijkingen verwaarloosd kunnen worden, waar-
door de formulen (50) of (51) zouden toegepast kunnen worden, als men van
i genoegzaam zeker is.
De reden waarom de staven M' en m', vooral de eerste, ook theoretisch,
niet terstond goed op den vereischten afstand geplaatst worden, is blijkbaar
daarin gelegen, dat het schip bij de eerste waarneming (fig. 8) niet Noord
maar slechts schijnbaar Noord, volgens het afwijkend kompas voorlag zoo-
dat dan ook de omwending van het schip N tot 0, slechts schijnbaar 90 2
bedragen kan. Indien bij de plaatsing van de staaf M', het schip juist in
den magnetischen meridiaan gerigt was geweest, dan zouden beide staven,
geplaatst bebben kunnen worden, zonder dat het noodig was het schip van
21
NATUCRK. VERB. DER KOKINKL. AKADEMIE. DEEL VII.
' THEOR1E VAN IIET LVTENSITEITS KOMPAS.
rigling le doen veranderen. Om dit zonder cenigc bcrekening tc doen,
jtlaatse men (het schip Noord of Zuid liggend) dc dwarsscheepschc magneet
totdat do afwijking van hct Intcnsiteils-kompas (aangcwczcn door de lijn die
den hoek v midden doordeelt, of zoo, dat Sin. ':Sin. f = 2 ML: 2 ml is)
nagenoeg = word 1. Daarna plaatse men de langscheepsclie staaf om den
hoek v nagenoeg de vereisclite grootte te geven. Door eenige verschik-
kingen komt men vervolgens ligtelijk daaiioe om de afwijking ? = , volgens
tie eerste form. (12') en den hoek v/ de juiste groolte, volgens form. ('27)
te geven; als wanneer de m en n der form. (9') tot nul herleid zullen zijn.
Het is duidelijk, dat het juist gerigt zijn van het schip, naar het magnetische
Noorden, Zuiden, Ooslen of Wcsten, tot het plaatscn der magneton, geen ver-
eischle is, (de bewerking is dan slechts gemakkelijker) maar dat dit met
elke willekeurige rigting geschieden kan, indien die rigting slechts bekend is.
Dan loch heeft men de koers a', door het kompas aangewezen; de miswij-
zende koers o, volgens onderstelling, dus ook de afwijking = a' a, en
voorls de kracht R nit den hoek i/ 1 van het Intensiteits-kompas. Met deze
gegevens, en de allijd bekend onderstelde N, p,q, r, vindt men gemakkelijk
de waardcn van m en n, door de formulen (9'), waardoor dan verder de af-
standen en rigtingen der magneetstaven gevonden kunnen worden, indien men
de magnetische momenten dezer laatste weet. Geheel practisch zoude het
ook kunnen geschieden, indien men zich niet hondt aan de bepaling, dat een
der staven langschecps, dc andere dwarsscheeps geplaatst wordt, maar slechts
daaraan, dat de staven onderling ecnen regten hoek vormen. Men houdt daartoe
een der staven, b. v. in, steeds evenwijdig aan de lijn ZZ' of NN' die de
zuid- of noordpolen van de naalden van het Intensiteis-kompas vereenigt, doet
daardoor die naalden beide tegelijk, in denzelfden zin van rigling veranderen,
zonder merkelijkc verandering van den hoek v, totdat de gemiddelde rigting
de afwijking 7
schil der koersen in de 4 de kolom, tie hoek V, is de kleinsle boog tusschen
dc noord-einden der beide naalden. De gemiddelde koers, in de 5 de afwijking van het kompas (8 ste kolom) voorstelt.
Deze 8 vergelijkingen oplossende naar de manier der kleinste quadraten.
doch met eenige bekorting heb ik gevonden
r = + 0,0167 ro= + 0,1958
p = 0,0377 n = 0,3162
q = 0,0041
Ten tweede heeft men 8 vergelijkingen van den vorm:
= Cos. y + r Sin, y~m Cos. a 1 -)- n Sin. a' p Cos. (a 1 -f- a) + q Sin. (a 1 -f a)
THEORIE VAN HET INTENSITEITS KOMPAS.
Waaruit, ter bopaling van N, door zamenstelling der vergelijkingen, volgt
..f mSCos.a! + n2Sin.a' pZ Cos.(a'-\-a) + q 2 Sin.(d +a],
N
of in gctallen
X 7,6613 = 7,705 + 0,163 X r + 0,842 X m 1,198 X " 0,187 Xp 0,010 X q-
N
Indicn dc rigtingen van het schip geordend gewecst warcn volgens de schijn-
barc streken a', dan zouden m en n geheel uit deze som verdvvenen zijn.
Stellende in de bekoraen som de gevonden waarden van r, p, enz. komt
- = 1,0780; N = 0,9277.
N
De inlensiteit van liet magnetismus is dus gemiddeld aan boord ruim 7 pro-
cent geringer dan aan wal, ten gevolge der omringing door ijzer.
N gevonden zijnde, kunnen de 8 laatstgenoemde vergelijkingen gcsteld
worden onder de gedaante:
Cos. (f r Sin. y} = m Cos. a' 4- n Sin. a' p Cos. (a 1 -f- o) -\- q Sin. (a' -{- a) ,
N }
waarvan dan het eerste lid hoofdzakelijk van i afhangt, en verder van de
tweede magten en producten der getallen m, n, p enz. voorkomende in
Cos.(p = v/i_s,.^ en in rSin.y. Deze laatste 8 vergelijkingen, op dezelfde
wijze als de oersle 8 opgelost zijnde, gaven
p= 0,0494, m=-{- 0,1990,
q = 0,0088 , n = 0,3250.
Deze getallen nagenoeg overcenstemmende met de eerst gevondene waarden,
zoo blijkt, dat de afwijkingen van het kompas even good door dc verschil-
lende hoeken v tusschen de beide naalden van het Inlensiteits-kompas ge-
vonden worden als uit dadelijk waargenomene afwijkingen. Het is in hel
gegeven geval onzeker, welkc uilkomsten de voorkeur verdienen, de eerste
uit de afwijkingen, of de laatste uit de inlensiteiten. Naar het mij voorkomt
verdienen zelfs de laatslc de voorkeur; en de reden hiervoor is, dat er eenige
onzekerheid is overgebleven in de bcpaling van de rigling van het schip, op
het oogenblik der opleekening van den hoek y. De rigling toch van het
schip is dan opgemaakt uit eene zoo veel mogelijk gelijktijdige opleekening
THEORIE VAN I1ET IPflENSITEITS-KOMPAS. 59
van het scheeps-kompas, dat weder ook voor zijne eigene afwijkingen moest
verbeterd worden. De waargenomen afwijkingen (p = a! a, berusten alzoo
eigenlijk op de vergelijkingen van twee kompassen, en het is wel bekend
dat zulk eene vergelijking veel minder zeker gaat, dan eene regtstreeksche
bepaling der afwijking, b. v. door de peiling van een ver verwijderd voorwerp
met een daartoe behoorlijk ingerigt werktuig.
Wij hebben alzoo de volgende uitkomsten:
1. Door de afwijkingen op 2. Door het Intensiteits-
de gewone wijze. kompas. Gemiddeld.
r= + 0,0167 N = 0,9277
p = 0,0377 p = 0,0494 p = _ 0,0481
q = 0,0041 q = 0,0088 q = 0,0061
m= + 0,1958 m= + 0,1990 m = + 0,1971
n = 0,3162 n = 0,3250 n = 0,8206
De grootheden N, r, p, q, als standvastigen op deze wijze bekend zijnde,
zouden de beide andere m en n, bij veranderde magnetische toestanden door
de waarnemingen van de hoeken y volgens de ontwikkelde formulen gevon-
den kunnen worden, zoo het intensiteits-kompas op dezelfde plaats aan boord
gebleven was, waar het, alleen ter beproeving, gestaan had.
Sedert heb ik nog gelegenheid gehad dezelfde vcreeniging van de twee
naalden op een ander ijzercn schip te beproeven. De toestel was daartoe
eenvoudig in de kajuit op de tafel geplaatst, en, zoo als uit het voorgaande
duidelijk is, men behoefde de kajuit niet te verlaten, om omtrent de afwij-
kingen van het daar staande kompas ingelicht te worden.
Amsterdam, April 1859.
I'..). S I'A.MKAKT . Tlirori,- van lu-l iinVnsilnls Kumpas.
VERHJ).ID}f.AKAD.V.WmNSCH.Am XATl'CKK. I). VII .
ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK
VAN DEN
POTTO VAN BOSMAN
DUO I!
F. A. W. VAN C A M P E S, Hid. Cand.
UIT ZIJNE NAGELATEN AANTEEKENINOEN BIJEENGEBEAOT DOOR
J. FAN DER
VOOKBERIGT.
De Potto van BOSMAN is eene soort van Stenops, omtrent welke ik reeds
vroeger (in 1850) der Eerste Klasse van het voormalig Koninklijk Nederlandsche
Instituut eene verhandeling aanbood, die in het vierde Deel der derde Reeks
barer Verhandelingen werd opgenomen. Het is mij aangenaam, dat ik dit
vroeger weinig bekend dier thans, vollediger, dan ik mij ooit had durven voor-
stellen, kan doen kennen, en dat de bouwstoflen mij daartoe zijn toegevloeid,
gelijk tot het onderzoek van den, door mij het eerst bekend geworden man-
nelijken Nautilus pompilius.
De Heer BOOMSMA, voormalig Eerste Officier van Gezondheid tweedeklasse
op Elmina, aan de kust van Guinea,, had de goedheid mij in November 1856
twee exemplaren van den Potto, op spiritus bewaard, toe te zenden, welke
ik in den aanvang van 1857 ontving. Ik vertrouwde daarvan het ontleed-
kundig onderzoek toe aan den Heer F. A. W. VAN CAMPEN, Candidaat in
22
NATUURK. VERB. DER KONIKKL. AKADEMIE. HEEL VII.
2 ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN.
ilc (iiMH'i'skunde aan de Leidschc Hoogeschool, die bet tot onderwerp zijner
Dissertalic zoude maken.
Weldra echter bleek het, dat de ontleedkundige boschrijving van clit dier
te uitgebreid en vooral bij de uitgavc tc kostbaar zoudo worden voor het
oorspronkclijk doel. Thans is dezc arbeid de nalatenschap geworden van
den aan de wetenschap vroeg onlruklen, ijverigen jongen ontloedknndigo, die
op don 17 den Januarij 1859 plotseling overleed *.
Ik ontving die nalatenschap van zijne nabestaanden. Veel was daarvan reeds
voor de pers in orde gebragt; de laatsle liand beeft de schrijver aan zijncn
nrbeid niet kunnen leggen, en het scheen wenschelijk, bet gehecl ecnigermate
om te werken, en tevens, door bijvoeging van enkele aanhalingen, de vergelij-
king met andere verwante soorten gemakkclijk te maken. Ik beb die tnak
op mij genomen, en bied thans deze Verhandeling aan dc Akademie van
Wetenschappen aan. De aan haar toegevoegde afbeeldingen zijn gcdeeltelijk
mijn werk en voor een deel dat van mijnen zoon, tbans Doctor in de Genees-
en Heelkunde te Rotterdam, die met v. CAMPEN gelijktijdig aan de Leidscbe
Hoogeschool gestudeerd beeft. Daar v. CAMPEW zelf niet leekende, werd
onze hulp bier door hem ingeroepen, en werd zij hem gaarne en gewillig
bewezen. Ik vlei mij, dat deze ontleedkundige onderzoeking als eene vrij
volledige monographic te beschouwen is, vooral voor het been-, spier-, vaat-
en zenuwstelsel, gelijk wij tot nog toe van weinige zoogdicren bezitten.
* Hij leed sedert lang aan organische gebreken van het hart en de adenihalingswerktuigen. Hij
was te Overschie 6 Dec. 1831 geboren. Zijn, voor hem reeds overleden, vader was de Landmeter
van Rhijnland W. J. VAN CAMPEX, door wien een zeer naauwkeurige platte grond dor stad Leiden
uitgegeven is.
ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN.
INLEIDING.
I)e kleine groep van zoogdieren, die men Lemuriden of Spookdieren noemt,
werd door mij in eene proeve van Monographic voor 15 jaren behandeld *.
Ik xal thans niet herhalen wat in die Verhandeling kan worden nagezien.
OuHrent de ontlecdkundige kennis, die wij van deze dieren bezitten, geloof
ik dat de billijkheid vordert te erkennen, dat zij vooral in onzen leeftijd en
wel voor een groot gedeelte door Nederlandsche onderzoekers verkregen is.
In den aanvang dezer eeuw gaf een bekend duitsch Natuuronderzoeker, die
zich later in Moscou gevestigd heeft, G. FISCHER, een werk over de Lemuriden
uit, hetgeen hoofdzakelijk over de osteologie handelde "f. H. KUHL en VAN
HASSELT, die in onze Oost-Indische bezittingen bun veelbelovend leven eindig-
den, maakten voor hunne reize inl820eenige beknopte aanteekeningen bekend
over de ingewanden van Otolicnus madagascariensis en van Stenops graci-
lis . Dr. A. SMITH gaf ontleedkundige aanteekeningen omtrent Galago
Moholi van Zuid-Africa **. H. BURMEISTER gaf eene voortreffelijke ont-
leedkundige Monographic van bet geslacht Tarsius f^.
Het geslacht Stenops is bijzonder onderzocht door de H.H. SCHROEDER
VAN DER KOLK en W. VROUK . Omtrent den Potto van BOSMAW, dien ik
* Bijdragen tot de kennis van de Lemuridae of Prosimii. Tijdschrift voor natuurlijke Geschiede-
nis en Physiologie, uitgegeven door J. VAN DER HOEVEN en W. H. DE VKIESE, Leiden 1844. Dl. XI.
bl. 148. PI. I III.
f GOTHELF FISCHER' s Anatomie der Maki und der ilmen verwandten Tliiere. I r . Bd. (enthdlt die
Naturgeschic-hte und den Knochenbau der Maki, mit 24 Kupfertafeln u. zwei Vignetten). Frankfurt
a. Main 1804. 4". (Dit werk is niet verder voortgezet.)
Beitrage zur Zoologie und vergleichenden Anaiomie. Mit Abbildungen. Frankf. a. Main 1820.
4. 2' e Abtheilv.ng, Fergl. Anatomic, S. 3538.
** Illustrations of the Zoology of South -Africa, I. Tab. 8. 8 bis.
ft Beitrage zur nahern Kenntniss der Gattung Tarsius. Mit 7 Tafeln. Berlin 1846. 4 1 .
J. L. C. SCHBOEDER VAN DER KOLK, Bijdrage tot de Anatomie van den Slenops Kukang
(Nycticebus Javanicus). Tijdschr. voor natuurl. Gesch. en Physiol. VIII. 1841. I. bl. 277336.
Plaat V.
Recherches d* Anatomie compare'e sur le genre Stenops d' Illiger par W. VEOLIK. Nieuwe Per-
22*
ONTLEEDKUNDIG ONDEIIZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN.
a Is fcno soort van dit gcslacht leerdc kennen, werdcn door mij eenige onl-
leedkundigc bijzonderheden medegcdeeld *. DC Otolicnus Peli eindelijk, eene
kleino soort van Galago van de wcstkust van tropisch Africa, maakte liet
onderwerp uit van hot akademisch Procfschrift van Dr. HOEKEIUA KINGMA ^.
Dit bcknopt overzigt dcr littcratuur van dc vergclijkcnde onllecdkimdo
van de Lomuriden bevvijst genoegzaam, dat wij niet ten onregte beweerd
hobben, dat vooral in ons vaderlancl voor dit gedeelte der wetenscliap zeer
veel word bijgcdragen, Dat voor hot overige vclc bijzondcrhcdcn omtrcnt
bet maakscl der Lemuriden in de algemeene werkcn over vergelijkende ont-
loodkuiule, vooral in die van CUVIER en J. F. MECKEL, geboekt zijn, be-
hoeft naauwelijks herinnerd te worden.
Uit al deze onderzoekingen is voldoende gebleken, dat. de Lemuriden eene
zeer natutirlijke groep van zoogdieren uilmaken, die in vele bijzonderheden
der inwendige structuur geheel met elkander overeenstcmmen. Hot meest afwij-
kend en eenigermate op zich zelf staand geslacht in deze groep is Tarsiits,
bij betwclk de vier snijtandcn der bovenkaak digl bijeen siaiin. terwijl
bij al dc overige geslacbten deze landen in twee paren gcplaalst zijn, die
door eene ir.iddelruimlc zonder tanden aan de voorzijde worden afgescheiden.
Dat de Potto van BOSMAN zijnc naaste verwantcn heeft in de twee
Oost-Indische soorten Stenops tardigradiis en Stenops javanicns, en in geen
afzonderlijk geslacht (Perodicticus BENNETT) behoeft geplaatst te worden,
had ik vroeger (reeds in 1851) getracbt aan te loonen, en wordt door de
nu volgende onderzoekingen nog nader gestaafd. Ik noe'm deze soort Stenops
der Eerste Klasse van het Koninkl. Nederl. fnstituut, Amsterdam 1844. X. bl. 75 112.
PI. I III.
Antwoord van 3. L. C. SCUHOEDER VAN DEK KOLK op eenige aanmerkingen, welke op deszelfs
lijdrage tot de Anatomic van den Stenops Kukang door den Hoogleeraar A^ : . \'KOLIK gemaakt ;!jn.
Tijdschr. voor nat. Gesch. en Physiol. XI. I. bl. 123150. PI. V.
Bcide, over sommige punten van elkander verschillemlc, schrijvers vereenigden later hunne onder-
zoekingen, en voegden daarbij eenige nieuwe bijzonderheden, vooral omtrent de hersenen, in de Bij-
di-agen tot de Dierkundc, uitgegeven door het Genootschap Natura Artis Mar/islra. I Deel. Amster-
dam 1851, 2". Mevering. 4. Recherches d' Anatomie comparee sur le genre Stenops d' Illiger JKH-
J. L. C. ScilKOEDER VAN DER KOLK et W. VROLIK, p. 29 52.
* Bijdrage tot de kennis van den Potto van BOSMAN. Met 2 platen. Verhandelingen der Eerste
Klasse van het Koninklijk Nederlandsche Instlluut, 3 e Reeks, 4 e Deel. Amsterdam 1851.
f Eenige vergelijkend-ontleedkundige Aanteekeningen over den Otolicnus Peli. Eene slkademische
Proeve door P. HOEKEMA KINOMA. Leiden 185B. 8'. (met elf figuren).
ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN. 5
Potto, en onderscheid haar van de ovcrigc soorten, die of in 'tgeheel geen'
staart hebbcn (Stenops gracilis] of slechts een rudiment daarvan vertoonen,
door den staart, die nagenoeg | van de geheele lengte uitmaakt, en door den
zeer korten wijsvinger zonder nagel (Stenops, cauda brevi, indice in manu
brevissimo, nmtico).
Synonymen zijn: Lemur Polto GM., Nycticebus Potto GEOFFR., Perodicticus
Geoffroyi BENNETT.
ONTLEEDKUNDIGE BESCHRIJVING.
UITWENDIGE GEDAANTE. HAARBEKLEEDING. AFMETINGEN.
De Potto * van BOSMAN is nu reeds door drie afbeeldingen bekend, van
welke de laalste, door den Heer H. SCHLEGEL geleverd, de beste is "j*.
Allc zijn ecbter naar opgezette voorwerpen geteekcnd. Eene afbeelding naar
het levend dier bezitten wij niet, tenzij men de zeer onvoldoende figuur
van BOSMAN, den eersten ontdekker der soort, als zoodanig wilde aanmerken,
welke afbeelding evenwel naauwelijks cene aanhaling waardig is.
Het dier is over bet geheele ligchaam met digt, zacht, wollig haar be-
klccd, De haren zijn het langst, en staan bet digst bijeen over den ge-
heelen rug en den staart; aan de buikvlakte is het haarkleed dunner en
zijn de haren korter. Ook aan de ledematen is de rugvlakte digter en lan-
! De naam Potto wordt ook aan een gelieel ander zoogdier uifc Zuid-Amerika gegeven, 't welk
reeds in 1771 door VOSMAER beschveven en afgebeeld is; het is de Cercoleptes caudivolvulus van
ILLIGEK. Is de naam Potto misschien door slaven van de Guineesche kust naar Amerika overge-
bragt en op een ander dier toegepast, waarin zij eenige gelijkheid met den Potto van hunnen ge-
boortegrond meenden te zien? Thans is de Potto aan de kust van Guinea bij negers onder den
naam Aposo bekend, 't geen misschien slechts eene wijziging van Potto is.
t De eerste afbeelding is die, volgens een jong en onvolwassen voorwerp, welke door mij ge-
geven werd in 1844 in het Tijdschrift voor natuurl. Gesch. enz. XI, PL 2; de tweede eene ver-
kleinde en ongekleurde afbeelding naar een volwassen voorwerp, in 1851 in het vierde deel der
derde reeks van de Ferhandelingen der Eerste Klasse van het Kon. Nederl. Instituut. --De af-
beelding van den Heer SCHLEGEL verscheen in 1853 in de vijfde aflevering der Bijdragen tot de
Dierkunde, uitgegev. door het Genootscluq) Nat. Artis Mag. te Amsterdam, met een kort berigt van
den Heer H. S. PEL.
6 ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BUSMAN.
ger bchaiird thui do buikvlaktc. De hand en voet zijn op de rugvlaktc met
korlc haren bekleed, de binnenvlakte is onbehaard; eene dikke, eeltachtige
huid bedekt de liandpulm en de voetzool. De kop is bijkans geheel be-
liaard; alleen op den neus en rondom den mond is bet baar zeer dun, zoo-
dat de kleur der buid doorscliernert. Hetzelfde is bet geval met bet scro-
tum en den penis.
Aan den rug, den staarl en de rugvlakle der ledematen zijn de haren
aan den grond licbt ros en aan den top zwart gekleurd. Aan de buikvlaktc
van den romp en de binnenvlakte der ledematen zijn de haren lichter van
kleur, nagenoeg grijsacbtig rood.
Bij mikroskopisch onderzoek onderscheidt men aan allc haren duidclijk
t>ene merg- en bast-zelf'standighcid, die ieder nagenoeg de helft van de dikte
der haren uilmaken. In de mergzelfstandigheid ziet men over het algemeen
I'cne enkele rij van vrij groote, vierhoekige cellen, zoodat het haar invven-
ilig uit geledingen schijnt te bestaan; slechts bij enkele dikkere haren vindt
men bij uilzondering verscheidene kleinere cellen onregelmatig nevens elkander
gcplaatst. In de cellen der substantia medullaris onderscheidt men eene dui-
delijke kern en cencn korreligen inhoud. Op de plaatsen, waar de haren
/\\art zijn gekleurd, zijn de cellen geheel met pigment gcvuld. Aan de
fijne spits van bet haar ontbreekt de mergzelfslandigheid.
Lange speurharen aan het aangezigt, zoo als bij Tarsius voorkomen, zijn
bier niet aanwezig. De haren van den staart onderscheiden zich niet van die
van den rug, maar zijn alleen iets langer.
Bij de beschrijving van den uitwendigen vorm verdienen nog eenige uit-
steeksels vermclding, die men in den nek aantreft. Het zijn de verlcngde
doornuitwassen der vijf onderstc hals- en twee bovenste rugwcrvels; deze
uitsteeksels liggen derhalve in het midden van den nek; de drie bovensle
zijn slechts klein, en verheffen zich weinig bovcn de huid; de vier onderste
daarentegen zijn sterk ontwikkeld en zeer zigtbaar. Gemeldc doornuilwassen
dringen door het corium been, en zijn slechts door het beenvltes en eene
verdikte onbehaarde opperhuid bekleed *. Welk doel deze doornen in den
nek hebben, is niet wel le gissen.
Volgens de mededeeling van den Prosector aan het Museum anatoinicum der Leidsche Hooge-
school Dr. J. A. BOOGAARD, die op mijn verzoek de bekleedsels dezer doornuitwassen aan een uader
onderzoek onderwierp, vertoont zich een vezelachtig weefsel, dat zich op vele plaatsen in verschil-
ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN. 7
Wij laten hier de afmetingen der twee onderzochte voorwerpen volgen.
A. B.
m. m.
Lengte van het ligchaam (kop, hals en romp), zonder den staarl. 0,526. 0,542.
den staart zonder de haren 0,078. 0,079.
der voorste ledematen 0,192. 0,195.
Lengle der achterste ledematen. . . 0,225. 0,225.
Afstand tusschen beide oogen 0,014. 0,014.
van de spits van den snoet tot de oogen 0,020. 0,022.
ooren 0,045. 0,055.
Vingers der voorste ledematen.
Lengte van den duim 0,020. 0,021.
)> wijsvinger 0,008. 0,009.
derden vinger 0,028. 0,050.
vierden 0,058. 0,052.
vijfden 0,029. 0,025.
Vingers (toonen) der achlersto ledematen.
Lengle van den grooten' toon 0,022. 0,025.
twceden (zonder den nagel) 0,011. 0,010.
derden 0,025. 0,029.
vierden 0,050. 0,051.
vijfden 0,029. 0,027.
Uit deze afmetingen blijkt, dat de lengte der afzonderlijke deelen niet altijd
in verhouding volkomen beantwoordt aan de lengte van het geheele ligchaam.
Het voorwerp B was grooter, maar de achterste ledematen verschilden niet in
lengte van die van het kleinere A, en de vierde en vijfde vinger en de vijf-
de toon waren zelfs kleiner dan bij dit voorwerp. Overigens is de klein-
heid van den tweeden vinger (den wijsvinger) in het oogloopend, eene klein-
heid, die ook, in veel minder mate nogtans, bij de overige soprten van
lende plaatjes laat scheiden, terwijl echter deze plaatjes geheel hetzelfde voorkomen hebben, zoodat
er geen grond bestaat behalve het periosteum ook nog een afgescheiden corium aan te nemen. Op
dat vezelachtig weefsel ziet men eene epithelium-laag, zoo het schijat uit zamengesteld plaat-epithelium,
waarvan de cellen gedeeltelijk pigment bevatten (29 Junij 1859).
8 ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN.
Stcnops wordt opgi'tiifrkl. Dal dc vicrde vinger bij voor- en achlerpooton
de langsle van alle is, wordt bij alle soorten der Lcmnridcn opgemcrkt, en
lioude ik voor cen dcr beste kennicrkori, waardoor dezc groep zich van de
nverige vierbandige dieren onderscheidt.
BESCIIRUVING VAN MET BEENGESTEL.
Hot beenstelsel van den Potto is in 't algemeen vrij stevig in verhouding
tot de grootte en de geheele ontwikkeling van het dier. Het verschilt over
't geheel slechts weinig van dat van Slenops javanicus en Stenops tardiyrn-
dus. Inzonderheid is doze gelijkvormigheid duidelijk uitgedrukt in den beeni-
gen kop.
1. Het beeniye hoofd.
De scbedel heeft eene breed-eironde gedaante, en is van achteren iets
breeder dan van voren. Het grootc acbterhoofdsgat is nagenoeg gebeel naar
acljteren geplaalst, terwijl hel bij vele andere Lemuriden, b. v. bij Tarsius,
Ololicnus en ook bij Stenops gracilis nicer naar voren ligt, en naar beneden
is gerigt. Het aangezigt steckt ver vooruit, en is van achteren zeer breed,
wegens de wijde oogholten; de bek loopt echter niet spits toe, maar is van
voren nagenoeg even breed als van achteren. Het jukbeen en dc jukboog
zijn zeer stevig en breed; de ring der oogkas is volkomen, maar naar ach-
leren is de oogholte geheel open en niet van dc slaapgroeve gcscheiden *.
Wanneer wij, na deze algemeene opmerkingcn, de verschillende declen van
het beenig hoofd nader onderzoeken, zoo vinden wij voorecrst aan het sche-
deldak het voorhoofdsbeen door een' naad in twee helften verdeeld. De af-
sland tusschen de lineae semicirculares der wandbecnderen is grooter dan
bij de overige soorten van Stenops. Bbven het achterhoofdsgat ziet men aan
* Dit is een hoofdkenmerk van het beenige hoofd, waardoor zich deze familie van die der apen
onderscheidt. De sluiting der oogkassen door de groote vleugels van het wiggebeen, welke zich bij
de apen gelijk bij den mensch aan het jukbeen voegeu, vindt men bij de Lemuriden niet. VAN DEU
HOEVEN, Tijdschr. voor nat. Gesch. enz. XI, bl. 15.
ONTLEEMUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN. 9
liet aclilorhoofdsbccn ecnc nitpuiling, die bij alle Lemuriden voorkomt, en
waaraan in de binnenvlakte van den schedel ecne eironde groeve beantwoordt,
waarin de vermis superior der kleine hersencn gelcgen is.
De scbedelholle is ruim, en vcrtoont op den bodem, even als bij den mensch,
drie afzonderlijke schedelgroeven *. De voorste dezer groeven wordt ge-
vormcl door het dak der oogkassen en eene in het midden liggende, diepe kuil
(neusgroeve), waarvan de lamina horizontalis van het zeefbeen den bodem
uitmaakt. Deze plaat bezit lalrijke galen, maar wordt niet door eene crista
galli in tweeen verdeeld. DC middelsle scbedelgroeve ligt veel lager dan de
voorstc, maar overigens zijn bcide niet zoo seherp van elkander gcscheiden als
bij den mcnsch; want, daar de fissura orbitalis superior ontbreekt, mist men
ook eenen vrjjen rand aan de kleine wiggebeensvletigels. Het ligchaam van
het wiggebeen, in het midden van deze schedelgroeve gelegen, is zeer laag,
en bestaat slecbts uit twee dunne beenplaten, door eene geringe laag van
diploe gescheitlen. Op de bovenvlakte ziet men eene vlakke groeve voor
de hypophysis cerebri. Kort voor het ligchaam van het wiggebeen ziet men
aan weerszijde twee galen; het voorste van deze gaten is het foramen op-
ticum tot doorlating van de gezigtszenuw- het andere, dat daarachter en meer
naar buiten ligt, is het foramen rotundum, waardoor echter niet alleen de
tweede tak van het vijfde paar heengaat, maar tevens ook de zenuwen door-
loopen, die bij den mensch door de fissura orbitalis superior de schcdelholte
verlaten y. Meer naar achteren, voor den top der piramide van het slaap-
been, ligt eene groole, ronde opening, waardoor de inwendige strotslag-
ader in de schedelholte dringt, om verder langs den siilcus caroticus ter
zijde van het ligchaam van het wiggebeen naar voren te loopen . Aan
dc buitenzijde van dit foramen carolicum vindt men het foramen ovale, tot
* Vergelijk fig. 1.
f Dit gat wordt als de fissura orbitalis superior door den Heer AY. VIIOLIK bij Steno2)S tardi-
gradus en javanicus beschreven. Hij werd hierin voorgegaan door CUVIER, die bij de Lemuriden
(les loris, les galagos, le tarsier) aanteekent: ula fente orbitaire est un trou rond comme le troit
optique." eq. d'Anat. comp. 2 de ed. 1837. II. p. 463. De redacteurs der tweede uitgave voe-
gen hierbij, dat bij den Avuld (onzen Lichanotus Avahi) het ronde gat met de fissura orbitalis sn<
perior zamenvloeit. In de eerste uitgave der Leqons d'Anat. comp. (II. 1805) vind ik bij de gaten
van den schedel der zoogdieren niets van de Lemuriden vermeld.
Een canalis caroticus, zoo als bij den mensch, is dus niet aanwezig.
23
NATVURK. VERH. DER KONHiKL. AKADEMIE. DEEI. VII.
|() ONTLEEDKUMDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO .WAR BOS.MAN.
tloorgang van den dcrden tak van lict vijfde paar, den nervus iiiframaxil-
luris *. Een foramen spinosum onlbroekt op dc gewone plants, maar in
lict buitonstc gedceltc van dc middclslc schedclgroeve is ccnc klcine ope-
ning, die beschouwd moot worden aan dit gat te beantwoorden, als waar-
door een tak van de art. maxillaris, cenc art. meningca, in de scliedelliollo
komt. V.ui deze opening gaan dan ook talrijkc groeven uit, en loopen langs
de binnenste oppervlakte van den schedel.
Ter zijde wordt dc middclslc schedelgroevc door den bovcnrand der pi-
raniide van hel slaapbecn volkomcn van de achlerste schedelgroeve ge-
scheiden; in bet midden daarentegen gaan beide bijkans onmerkbaar in
rlkander over, doordien hel dor sum ephippii onlbreekt. Voor den top der
piramiden heeft men echter een paar uilsteeksels, die in bunne plaatsmg
met de proccssus clinoidei posteriores ovcrcen komen. Tusschen deze uit-
sleeksels en den scherpen bovenrand der piramiden is eene diepc groove
(cavum Meckelii), vvaarin bet ganglion Gasseri gelcgen is. In een der sclie-
dels liep aan de regtcrzijde de boenrand over deze groeve been, zoodat bier
dc ncrvus trigcmimts met bet ganglion door een gal been ging. Aan do
acblersle schedelgroeve bespenrt men in bet midden eene zeer breede, diepc
slouf voor bel verlengde merg en den Pons Varolii. Aan dc acbtervlakle
v,m bet rolsbeen ligt vooreerst de porus acusticus intcrnus op de gewone
plaats; daar acbler is eene diepe kuil, waarin de flocculus der kleine her-
senen verborgen was; aan dc binnenzijde van deze holtc ligl dc aquaedu-
clus veslibuli. Het foramen jugulare, op de gewone wijze gevormd, wordt
echter (zoo als dit ook nu en dan bij den menscb plaats heeft) door ecu
dun beenplaatje in twceen vcrdceld: de voorste opening dient tot doorgang
van den nervus glossopharyngcus, n. vagus en n. accessorius Willisii; door de
achterste gaat de vena jugularis cerebralis naar de schedelboltc, en van deze
opening af loopt dan ook de sulcus transversus naar buiten en boven, om-
geeft vervolgens de vroegcr vermelde groef in het scbedeldak, waarin de
* CUVIER sch ij nt t. a. p. het foramen caroticum voor het foramen ovale te hebben gehoudeu, en
plaatst nu het foramen rotuncJum aan de buitenzijde van dit eironde gat : le trou rond est fort
irriere stir la meme ligne transverse et en dehors du trou ovale." Even eens zijn ook deze
giiten benoemd door den Heer W. VROLIK (Nieuute Ferhand. der Eerste Kl., Dl. X. bl. 100; Re-
cherches (PAnat. comp., Bijdragen tot de Dierkunde, I. p. 40). Het is blijkbaar, dat hier het fora-
men ovale voor het foramen rotundum werd aangczien.
ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO YAM BOSMAN. U
vcrmis superior ccrcbelli gclcgcn is, en gaat daarna in den sulcus longiludi-
nalis over *.
Voor en aan de buitenzijde van het groole achterhoofdsgat ziet men het
foramen condyloideum anterins. Het foramen condyloideum poslerius ont-
breekt.
De grondvlakte des schedcls f is, vooral in het midden, zeer dun, of-
schoon de beenderen van den kop overigens eene normale dikte hebben.
DC achlerhoofdsknobbels ter zijde van het groote achterhoofdsgat bieden
niets opmerkelijks aan, en hebben nagcnoeg dezelfde gedaante als by den
mensch. De gehoorblazen (bullac tympani) zijn groot, en hebben eene peer-
vormigc gedaante. De breede achtereinden slaan ver uiteen, terwijl de,
puntlg eindigende, voorste gedeelten tot elkander naderen. Op het midden
van deze gehoorblazen zijn de kleine horens van het tongbeen ingehecht,
en aan den binnenrand ligt het foramen jugulare. Voor den top der ge-
hoorblazen bevindt zich het foramen carolicum. Het foramen ovale wordt
aan de bencdenvlakte overdekt door eon dun beenplaatje, dat zich van den
achterrand der ondersle plaat van de processus pterygoidei naar den voor-
rand der gehoorhlaas uitstrekt. Voor het overige hebben de processus pte-
rygoidei de gewone gedaante; de buitenste plaat is breed, de binnenste
smal, en eindigt in cen naar achteren onigcslagcn haakje (hamulus plery-
goidcus). Tusschcn het foramen caroticum en foramen ovale vindt men,
aan den voorrand der gehoorblaas, de opening der beenige tuba Eusta-
chii, die, in het kraakbeenige gedcelte dezer huis overgaande, op de ge-
wonc plaats in den pharynx uitmondt; even als bij den mensch is dezc
buis slechts een halfkanaal, waaraan de onderrand ontbreekt, die door ve-
zelachlig weefsel wordt gesloten. De fossa glenoidalis is eene dwars ovale,
vlakke uitholing. De beenige gehoorvveg is slechts een halfkanaal, waaraan
de onderrand ontbreekt, en in dit halfkanaal zet zich de kraakbeenige ge-
hoorbuis tot aan het trommelvlics voort. Aan den scherpen beenrand, die
den gehoorweg naar voren omgrenst, bevindt zich de fijne opening, waar-
, * Van een beenig lentorium, waarvan volgens MECKEL bij Stenops gracilis een zwak rudiment
zou bestaan (System der vergl. Anat. II. 2. 1825, S. 604), was hier geen spoor te vinclen, evemnin
van een' verbeenden processus falciformis, waarvan bij die soort van Stenops ook eene kleine aan-
duiding zou aanwezig 7,ijn; MECKEL t. a. p., p. 605.
t Zie fig. 2.
23*
I- OXTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMV.Y.
door de arteria mcningca van dc art. iiui.rillaris interna naar de niiddclsle
schedelgroeve hccngaat *. Achlcr don uilwendigcn gclioorweg ligt het
gal, waardoor dc ncrvtts facialis naar buitcn Ireedl (foramen stylomastoideuni).
Met betrekking tot hot aangezigt verdiont nog vennclding, dal de oog-
kuilsrand vooral van boven en van binnen sclicrp vooruilstcekt. Hot foramen
siipra-orbitalc onlbrcckt. De lusschenruimlen, vvaardoor beidc oogkassen gc-
schcidcn zijn, bcdraagt 7 m. m. "f, lerwijl die bij Slenops tardigradus slcclils
4 of 5 m. m. bedraagl, en bij Stenops gracilis de oogkassen zoo digt bijeen
slaan, dat de afstand tusschen beider binncnrandon slccbts i m. m. groot
is. De ingang van het traanneuskanaal, hetgeen, zoo als bij den mensch,
in de neusliolle onder de concha inferior zijne uilmonding hceft, ligt be-
neden den binncnooghoek en dus buiten de oogliolle, ocne bijzonderheid,
die ook bij andere Lcmuriden voorkoml, en misscbien een kcnmcrk der ge-
beele groep uitmaakt .
In dc vereenigde oogliolle en slaapgroeve zijn nog de volgcnde gaten en
kanalen op te merkcn. In de dicple der oogkas liggen naar acbleren hot
foramen oplicum en daaronder hot foramen rotundnm; een weinig naar vo-'
ron van deze gaten vindl men aan den binnenwand der oogkas eene lijiic
opening (hot foramen cthmoidale anlcrius), welke in de schedelholte voerl
on tot doorgang dienl van den nervus ethmoidalis, een' tak van den nervus
naso-ciliaris. Op den bodcm (naar onderen) ziet men voorcerst geheel aan
den achterrand bovcn den laatsten maaltand twee openingcn: de boyenste,
grootere voert dwars naar binnen in de ncusliolle, en laat van den nervus
supramaxillaris een' sterken tak (ramus nasalis) doortredcn Chet foramen
sphcno-palatinum); de onderste opening gaat over in een kanaal (canali*
pteryyopalalinus), dat schuins naar binnen en voren de verbinding van de
ossa palati en processus pleri/goidei doorboort, en den nerv. palatinus van
den tweeden tak des vijfden zenuvvpaars doorlaat. Voor deze gaten begint
de groef, die in het ondcroogkaskanaal ovcrgaat, 't geen op de gevvone
1 Zic boven bl. 9, 't geen omtrent het foramen spinosum gezegd is.
f Ik vond dien afstand zelfs 9 m. m. ; zie mijne Bijdrage tot de kennis van den Potto van
BOSMAN, p. 5.
FISCHER, Anatomic der Maki, I. S. 6, S. 87 ff. ; W. VROLIK, Nieuwe Ferhanddingen, enz. X.
bl. 98; VAN PER HoEVEN, Tijdschr. voor natuurl. Gescti. en Physiol. XI. bl. 16; KINGMA, t. a. p.
bl. 15.
ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN. 15
plants op de voorvlakte uitmondt (foramen infra-orbilale). liij het eenc
voorwcrp warcn twee kleinere foramina infra-orbitalia aanwezig, 't geen
ook bij andere Lcmuriden werd opgemerkt. Eindelijk ziet men op den
bodem der oogkas, boven en voor den ingang van het canalis infra-orbitalis,
ecn gat, waardoor de ramus denlalis superior van den nicer gemelden twee-
den tak des vijfden paars naar het antrum Ilighmori verloopt. Een foramen
zygomaticum ontbreekt.
Aan het beenige verhemelte heeft men, behalve de uitmondingen der ca-
nales ptcrygopalalini, onmiddellijk achter de snijtanden twee groote foramina
incisiva, die in de neusholle voeren. Het os intermaxillare is klein, maar
verbindt zich loch even als bij Stenops gracilis met de zijden der neusbeen-
dercn, en omgeeft met deze de neusopening. De onderkaak, even als bij de
overige Lemuriden nit twee helften bestaande door eene symphysis aan de
kin verecnigd, heeft eenen breeden zijtak met ecu' grooten processus coronoi-
dcus, die ver boven den jukboog uitsteekt en naar achteren gebogen is; de
hals of het uitsteeksel, hetgeen den condylus draagt, is daarentegen zeer
kort *. De onderkaak wordt voorts op de gevvone wijze door het tandkas-
kanaal doorboord; aan het foramen maxillare internum bemerkt men geene
lingula noch sulcus mylohyoidcus.
2. De wervelkolom.
DC wervelkolom is zamengesteld uit 7 halswervelen, 15 borst-, 8 lenden-,
3 zarnengcgroeide hciligbeens- en 20 staartwervelen.
De halswervelen zijn groot, hunne ligchamen zijn even als bij den mensch
aan de boven- en ondervlakte uitgehold. De dwarse uitwassen zijn (met
uitzondering van die van den zevenden halswervel) doorboord, tot vorming
van een' canalis vertebralis. Bij den vierden, vijfden en zesden halswervel,
zijn deze uitsteeksels aan den top gespleten; bij de overige eindigen zij in
een' cnkelvoudigen knobbel. De doornuitwassen der vijf onderste halswervels,
gelijk ook die der twee eerste borstvvervels, doorboren de lederhuid, zoo als
wij vroeger reeds beschreven hebben (bl. 6), en zijn zeer verlengd; aan den
Zie den schedel van ter zijde afgebeeld in Ferh. der Eerste Klasse van het Kon. Nederh Inst.
3 e Reeks, IV de Deel; Over den Potto enz., PI. II, fig. 2. Yoor de beschrijving der tanden, welke met
die der overige soorten van Stenops overeenstemmen, verwijs ik naar dezelfde Verhandeling, bl. 4, 5.
PI. II, fig. 3, 4.
14 ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMYN.
eerslcn lialswervel ontbroekt liel doornuilwas, aan den tweeden is hel zecr
kort en aan den top gesplelcn. Aan den alias ziel men acliler de fossae
condi/loidcac, in plaals van eene groove of insnijding, cen kort kanaal, wnar-
door de artcria vcrlebralis loopt. Aan den epislrophous heeft hot foramen
Ininsversarium dezelfde rigling als bij de overige balswervels, zoodat dc wer-
velslagadcr minder kromming zal maken, en bijkans in eene regie lijn tol
den alias moot opslijgen.
Bij de borsl wonvls nemen de ligchamen van den eerstcn tot den zeven-
den of aebtsten in breedle af, en vervolgens tot den laatsten weder toe. Do
boogte van het ligchaam der wervcls wordt van den eersten tot den laatsten
borstwervel steeds grooter. De doornuitwassen zijn lang, on ecnigzins schuins
naar beneden gerigt.
De lendenwervels verschillen onderling weinig in grootte. Hunne dwarsr
uilsteeksels zijn stcrk ontwikkeld en nagcnoeg even lang als de processus
costarii. De doornuitwassen zijn zeer lioog en zijdelings plat gedrukl
(kamvormig).
Het beiligbeen bestaat uit drie onderling vergrocide wervels, die niet bree-
der zijn dan de lendenwervels. Aan dc aclilcrzijdc ziet men eene sterke
i:risla sncralis en ter zijde eene langwerpig ovale oppervlakte, tor vcrecniging
met bet darnibeen.
De zes of zeven eerste staarlwervels vciiooncn nog dwarse en scliuinscbe
uil.sleeksels; alleen de doornuil\vassen ontbreken. In deze wervels zet zich
ook bet ruggemerg-kanaal nog voort. De overige staartwervels zijn cilinder-
vormige beenljes, die naar het einde steeds dunner worden.
De vereeniging der verscbillende wervels gescbiedt gebecl op dezelfde wijze
en door dezelfde banden als bij den mensch. Met betrekking tot de banden
tusscben bet acblerboofd en de twee eerste balswcrvels is ecbter op te mer-
ken, dat ecu eigenlijk ligamentum cruciatum onlbreekt, doordien bet liga-
mentum Iransvcrsum allantis slecbts door eene ondersle verlenging aan den
cpistropheus, niaar geenzins door eene bovenste aan bet acblerboofdsbeen ver-
bonden is. De ligamenla alaria of liganwnta Maucharli zijn stevig en lan-
gor dan bij den menscb; een ligamentum suspensorium dentis ontbreekt.
5. Borstkas.
Er zijn vijflien parcn van ribbon. Dc lien eerste vercenigen zicli door
ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEX POTTO VAN BOSMAN. 15
haar kraakbeenig einde met het borstbeen *. De ribben der vier volgende
paren vercenigen zich door haar kraakbeen met dat der tiende rib. De vijf-
tiende rib is met haar kraakbeenig uiteinde vrij (costa fluctuans).
De ecrste rib is de korlste van alle en tevens het sterkst gekromd. De
daarop volgende nemen tot de tiende of elfde in lengte toe ; van de twaalfde
tot de veerticnde nemen zij weder langzamerhand af; de vijftiende is vecl
korter dan de veertiende. De ribben worden van boven naar beneden bree-
der, maar tevens dunner. De sulcus costalis is zwak aangeduid. Behalve dat
alle ribben door de hoofdjes met twee wcrvelligchamen verbonden zijn, ver-
eenigen zich de twaalf eerste ook nog door een klein luberculwn met de
dwarse uitwassen der borstwervels.
Het borstbeen is zeer smal, en bestaat, behalve uit het zwaardvormig aan-
hangsel en het manubrium, uit acht stukken, die door vezelachlig kraakbeen
met elkander verbonden zijn. Het manubrium sterni is een breed en plat been-
stuk, dat op de gewone plaats de gewrichtsgroeven voor het sleutelbeen aan-
biedt. Bovendien is aan den zijrand van het manubrium de eerste rib in-
gehecht, tcrwijl de tweede tusschen het manubrium en het eerste been van
bet ligchaam van het sternum aangehecht is, en de overige ware ribben
tusschen twee op elkander volgende beenstukken aan het borstbeen verbon-
den zijn. De processus xyphoidcus is een lang, stijlvormig beentje.
4. Beenderen der voorste Icdemalcn.
Behalve de hand-beenderen komen die der voorste ledematen in den vorm
en de zamcnvoeging zeer veel met die van den mensch overeen. Het sleu-
telbeen heeft nagenoeg dezelfde gedaanle als dat van den mensch. In de ver-
binding van dit been met het borstbeen vindt men ook een meniscus inter-
articularis. Aan het schouderblad valt op te merken, dat de insnijding aan
den bovenrand (incisura scapulae) zeer gering en naauwelijks zigtbaar, en
dat het lange ravenbeksuitsteeksel (processus coracoideus) niet door een' band
met den schoudertop verbonden is; het ligamentum coraco-claviculare daar-
* Bij Stenops tardigradus en Stenops javanicus zijn 16 paren ribben; 15 daarentegen, gelijk bij
den Potto, bij Stenops gracilis. Bij de twee eerstgenoemde soorten zijn de ribben der elf eerste
paren aan het borstbeen verbonden; bij Stenops gracilis slechts die der 9 eerste paren.
"' OMLEEDKUND1G ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMVN.
1'iilegen is zecr stevig. De gedaante van lict schouclerblad is breeder en
korter dan bij bet mcnschelijk scliouderblad.
Het opperarmbeen onderscbeidt zich door cen foramen supra-condyloiilciini,
iMgt'iilijk con korl kanaal, dal bovcn den condijlus inlcrmts schuins, vanach-
leren en bovcn naar voren en onderen, hot been doorboorl *.
Hot schoudcr- en ellebooggewricht vertoonen in linnnc zamcnstelling niels
dat bijzondere vermehiing behoeft; ook is de draaijing van bet spaakbeen oni
dc ellepijp in dezellde mate mogelijk als bij den menscb. Het spaakbeen is
-ti'rk gebogen. Aan het ondereinde is bet zeer breed, en beeft aan den naar
de ulna gekeerden rand een uilsteeksel, waarop bet capitulum ulnae naar
onderen door eene geleding verbonden is "f. Bovendicn be/it liet verlengdc
stijlvormig uitsleeksel der eliepijp (processus slyloideus) aan zijn ondereinde
eene kleino gewrichlsvlakte, die zicb met het os triquetrum vereenigt. Dit
midereinde vomit alzoo met het ondereinde van het spaakbeen eene concave,
van hitmen naar bnllon vrij breede gewrichtsvlakte, die met drie der hand-
worlelbeenljos der eerste rij, te zamcn eene boogvormige bolle vlakte uitma-
kende, verbonden is. Het os pisifonnc is lager en meer naar builcn ge-
plaalst, en neemt geen deel aan het handgewricht, helgeen opmerkelijk is, daar
bij vclc zoogdieren en ook bij de apen dit been met de ellepijp articuleerl.
De beursband van het handgewricht wordt, behalve ter zijde door de liga-
mcntn lateralia, op de rugvlakte nog vcrsterkt door een bandjc, dat van den
radius in schuinsche rigting naar het os triquelrum vcrloopt. Aan den kant
der handpalm onderscheidt men twee verslerkingsbanden, een tusschen den
ntilius en het os lunatum en een ander tusschen den radius en het os tri-
quelrum uitgespannen.
De handwortel wordt in 't geheel door tien beentjes gevormd, waarbij men
nog als elfde een laler te vermelden beenplaatje in den dwarsen band van
den carpus voegen kan. Het os naviculare is groot, en heeft aan den radi-
alen rand een uilsteeksel, dat naar dc handpalm gekeerd is. Hel os lunatnm
is als eene wig tusscbcn het os naviculare en Iriquetrum ingeschoven. Het
os triquetrum hecft nagenoeg ccnen cubischen vorm, en verbindt zich aan den
* Zie fig. 3*.
t Dit uitstceksel van den radius vcrvangt dus (gelijk VAN CAMPEN opterkcnde) de plaats van
het kraakbeen (cartilago trianyularis), dat bij den mensch tusschen het capul ulnae en het os triyue-
tnim gelegen is.
ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN. 17
ulnaircn rand met Iict os pisiforme, een klcin onregclmatig eirond bcentje, dal
naar do handpalm gcrigt is.
Tusschcn dcze ccrste rij van vicr bccntjes bevindt zicli een, ook bij de
A pen voorkomend, becntje, 't gecn aan de rugvlakte onder bet os naviculare
en 05 lunalum gelcgen is, en zich tusschcn bet boveneinde van bet os hama-
tum en multangulum minus dwars uitslrekt. Hct boveneind van bet os capi-
talum loopt daaronder door *.
De tweede rij van den bandworlel (die breeder is dan de ecrste) bevat
vijf bccntjes. Hot ecrste is een klein bijkomend bcentje, dat beneden bet
uiteinde van bet os naviculare op den binnenrand van den handvvortel gele-
gen en met bet os mullangulum majus verbondcn is -j*. Het os multan-
gulum majus is van onderen breed en als in twee vlakke condyli uilloopend,
die de gelcdingsvlakte vormcn voor de verbinding met de eerste pbalanx van den
duim of met bet dusgenoemde eerste melacarpus-beentje. Aan den buiten-
rand beeft bet eene balfmaanswijs concave gewrichtsvlakte ter verbinding met
bet os multangulum minus. Dit laatslgenoemde been is klcin,, en draagt
bet watocarpws-beentje van den wijsvingcr. Het komt naar boven niet met
de eersle rij der bandworlelbeentjcs in verbinding. Het os capitalum, waarop
bet metacarpale been van den derdcn vinger gelced is, beeft ten dien eindc
aan zijn onderste gcdcelte eene bijkans drieboekigc geledirigsvlakte, waarvan
de punt naar binnen (naar de handpalm) gekeerd is; bet been klimt van daar
scbuins naar de radiale zijde op, en verbindt zich boven en achter bet os
mullangulum minus met den onderrand van bet os naviculare . Het vijfde
been is be I os hamaium, met bet os naviculare bet groolste der carpale been-
tjes. Van boven, waar bet een rond hoofd aanbiedt, loopt bet scbuins naar
beneden en naar buiten, waardoor mede de verbreeding van den carpus naar
CUVIEH hield dit os accessorium bij de Apen voor een deel van het os multangulum minus,
Lemons d' Anal. comp. I, 302. MECKEL heeft ecliter aangetoond, dat het veeleer als een afge-
schciden stuk van het os naviculare moet wordcn beschouwd. System der vergL Anal,, II. 2. S.
391, 392. Het komt ook voor bij den Orany-oelan en bij den Gorilla , zie DUVERNOY, Archives
du Museum, VIII, 1855, maar ontbreekt bij den Chimpanze, (W. VEOLIK, Eechcrches $ AnM.comn.
sur le Chimpanse, Amst. 1841. folio, p. 12,)
t Ook bij de kat wordt op dezelfde plaats een toegevoegd handwortelbeentje gevonden.
Op de rugvlakte der hand ziet men een gedeelte van het bovenste deel van dit been tusschen
het os naviculare en de twee ossa multangula. Verg. voor de haudwortel-beenljes fig. 4 en 5 en
de verklaring der platen.
24
."iATCIM'.K. VERB. DER KO.MXiL. AKADEIIIE. DEEL VII.
IS OSTLEKDKUNDIG ONDI.K/.Or.K V\\ I)F.\ POTTO VAX HOSM.VN.
beneden voroor/aakt wordt. Aan de rugzijde van de hand vcrloont hot zicli
under hoi. on acccssorium ossis navicularis als ccn scheef, langwcrpig vicrkant,
inaar do zijranden van hot been loopen naar dc handpalm schcrp toe, zoodat
het als eeno wig gevormd is. De builcnste, vrij holle vlaktc van hct hoofdje van
dit been wojdt in cene halfmaansgewijzc gewrichlsliolte van het os triifKctrtnn
opnjenomen. De ondcrvlaklo vcrtoont twee, zeer oppervlakkigc gewrichlsholten
voor de geleding met de mctacarpale beentjcs van den vierden en vijfden vinger.
Behalve deze handwortelbeentjcs vindt men nog aan de handpalmvlakk 1
een langworpig, bijna driehoekig beenplaatje, dat in het ligament inn Irans-
versum carpi proftrhun gelegen, en waarvan de punt naar bovcn gokeerd on
met bet ondereinde van hct os naviculare verbonden is.
De melacarpusbcendcren en de kootjes der vingers bieden, bolialvc in den
wijsvinger, weinig aan, dat afzonderlijke vcrmelding vcrdient. Hct os metacarpi
van dezen vinger is kort, en heeft aan hct ondereind een vecl kleiner hoofdje
dan de overige metacarpalc beendcren. In den vinger zelvcn zijn slechts twee
phalangen, waarvan de eerste de helft kleiner is dan die der volgcnde drie
vingers, terwijl dc hvecde phalanx slechts een klein bcenstukje is, waarvan
de brecdte de lengte overtreft. De grootere lengte van den vierden vinger
boven den derden ontstaat door meerdcre lengte van de phalanges, terwijl
lid. metacarpalc been met langer is dan dat van den derden, en slechts zeer
wt'inig langer dan dat van den vijfden vinger.
De duim heeft drie sesambeentjes; zij zijn gcplaatst aan de handpalmvlakte ;
twee daarvan liggcn aan het gcwricht tusschcn de ecrslc phalanx (het zoo-
genoemde os melacarpi) en de tweede (die gemeenlijk de eerste wordt gc-
noemd). Het derde ligt aan de concave vlakte van de laatstc phalanx.
5. Beendercn der achterste ledemalen *.
(iclijk bij de overige soorlen van het geslacht Slenops, is hct bckken zeer
lang en smal. De darmbeenderen hebbcn bijkans de gedaanle van een lang
been dor lodomalen, van de ulna b.v., en loopen schuins van de heiligbeens-
verbinding naar beneden en buiten. Eene eigenlijke fossa iliaca is nictaan-
wo/ig. Zeer naar voren verlengd is de horizontale, breede tak van hct schaam-
Verg. fig. 7 en 8 en de daarbij behoorende vcrklarin;;.
OVl'LEEDKUJiDIG ONDERZOEK VAN DE!V POTTO VAN BOSMA1V. 10
been; de brccde sympltysis ossium pubis steekt sterk vooruit. Het foramen
obturalorium is zecr groot, en heeft ecnigzins de gedaante van eenen gelijk-
zijdigen driehoek, vvaarvan de hoeken zijn afgcrond. Aan den bovenrand van
den schaambeens-tak ziet men, digt boven den achtcrrand van dit gat, een lu-
berculum ileo-pectineum, terwijl de spina anterior inferior ossis ilii on tbreekt.
Aan bet zitbcen zijn de spina en bet tuber ischii weinig ontwikkeld, en/loor
geene ligamenta spinoso-sacralia en tuberoso-sacralia met de wervelkolom
verbonden. De symphysis sacro-iliaca wordt ecbler zeer versterkt, bijzonder
door de stevige ligamenta ileo-sacralia posteriora. Een ligamentum ileo-lum-
balc ontbrcekt.
Het dijbeen is bet langste been van bet skelel even als bij den mensch,
en dus langer dan bet scheenbeeri ; bet verschil is ecbter gering, en bedraagt
naauwclijks 4 m.m. *. Het dijbeen is zeer regt, van achleren aan bet bo-
venste en onderste uiteinde, vooral aan bet eerste, zeer vlak. De bals van
bet boofd des dijbeens is kort, en de trochanter minor, die sterk ontwikkeld
is, gelijk ook W. VROLIK bij andere soorten van Stenops opgeteekend heeft,
klimt bijna even hoog als dit hoofd op.
De beenderen van bet onderbeen zijn volkomen van elkander gescbeidcn,
en de tusschcnruimte is zeer breed. De fibula is in verhouding tot de tibia
dikker dan bij den mensch. De tibia is aan de binnenzijde plat en van voren
afgerond, zoodat ook eene eigenljjke crista tibiae ontbreekt *j*. De beide mal-
leoli aan bet ondereinde dezer twee beenderen zijn zeer breed, en de bin-
nenste reikt een weinig lager naar bencden dan de buitenste. Aan dien bin-
nensten malleolus ziet men aan de achtervlakte eene diepe sleuf, waar langs
de pees van den musculus flexor digitorum communis heenloopt.
Van hel heup- en kniegewricht behoeven wij slecbts te melden, dat zij
in zamenstelling met die bij den mensch overeenstemmen. Do knieschijf is
* GEOFFROY SAINTVHILAIRE (de vader) zegt, dat bij Loris, Nycticebus, Otolicnus en Tarsias de
tibia langer is dan het os femoris (Ann. du Museum, XIX, p. 158, 162, 164, 165, 167), doch zulks
is onjuist. Alleen bij Tarsius is het scheenbeen iets, hoezeer naauwelijks, langer dan het dijbeen,
en ook bij Otolicnus Peli vond Dr. KINGMA het 4 m.m. langer. Bij andere soorten van Otolicnus
en bij al de door mij onderzoehte soorten van Lemur vond ik het dijbeen langer dan het scheen-
been in de verhouding van 6:5 of 7 : 6.
f Alleen van boven ziet men er eene aanduiding van, die vervolgens naar binnen in den scher-
pen rand van de binnenvlakte overgaat.
24*
-" OMLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSJIAN.
langwcrpig plat, van voren bol, bcentje, hetgecn aan dc vrijc vlaktc slcchts
rrnc facet vciioont. Bchalve de palclla vindt men aan het knicgewricht nog
twee kleincre, ronde beentjes, beide aan de buitenzijdc. Het eene ligt in den
vezelachtigcn bcursband, boven hot boofd der fibula, geheel naar builen en
eenigzins aan de achtervlakte, achtcr het ligainenluni latcrale externum *;
het andere is dwars boven de tibia aan de builenvlakte van den condylus
internus van het dijbeen geplaatst; het ligamenlum laterale externum loopt
M- schuins over been.
In den lorsus vindt men dezelfde beenljes als in die van den mensch,
hoezecr luinne gedaante en onderlinge plaatsing in sommige opzigten vrij
al'wijkend is. Het hielbeen (calcancus) vertoont naar boven en buiten het
haakvormig naar achleren omgebogen tuber calcanei. Ilet ligchaam is smal,
maar wordt naar ondcren weder breeder ter verceniging met hot leerlingvor-
inig been. Aan den binnenrand ziet men ccn breed sustcntaculum. Door
eene gewrichlsvlakte op het sustcntaculum en cene klcinere op het ligchaam
vereenigt zich het hielbeen met het kootbccn (talus]. Dit laatstgenoemJe
lifi'ii is slerk, en komt over 't geheel met dat bij den mcnsch overeen, maar
het ligt minder op en meer naar binnen van het hielbeen dan bij .den
mensch. Het cuboidcnm heeft eene diepc groef (SW/CMS) aan de ondervlaktc,
die door scherpe kanten begrcnsd wordt. Naar voren gclecdt dit been met
de ossa melacarpi van den vierden en vijfden vingcr. Het schecpsgewijze
beenlje (os scaphoideum s. naviculare] is groot, van eene onrcgelmaligo
gedaante, en vertoont eene diepc, dwarse groove boven bet eersle en tweede
wigvormige been. Zijne langste afmeting strekt zich schuins van den rug
van den voet naar de voetzool uit, en aan het naar onderen gekeerde ge-
deelte bicdt het ecu uitsteeksel aan, dat naar de voetzool is omgebogen.
Naar voren vereenigt het zich met de dric wigvormige becntjes (ossa cunei-
forinia), van welke, even als bij den mensch, het eersle het grootste en het
tweede het kleinste is. Het eerste os cunciformc heeft center geene wigvor-
mige gedaante, maar komt in zijncn vorm, die vrij onrcgelmatig is, tamelijk
wel overeen met het os mullangulum majus in de hand. Deze overeenkomst
staat in verband met de gelijkvonniglieid, die bij den Potto tusschen den duim
" Te Hecr VAN CAMPEN teekent hicrbij op, dat (lit bcentje bij meer zoogclieren en ook als uit-
zondrring bij den mensch voorkomt.
ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAX BOSMAN. 21
en den groolen toon aanwezig is. Do twee overige cuneiformia hebben
daarentegen de gevvone vvigvormige gedaanlc, en zijn met hct smalle ge-
deelte naar de voetzool gerigt.
Het voetgewricht wordt, zoo als bij den mensch, tusschen het ondereinde
der tibia en fibula en de geledingsvlakten aan het boveneinde van den talus
gevormd, waarbij de gewrichtsvlakten volkomen den vorm aanbicdcn, die
aan een scharnicrgewricht cigen is. Het ligamentum capsulare wordt ver-
sterkt door een breed liyamenltim laterale inter num, dat van den malleolus
internus schuins naar acliteren verloopt en zich aan den talus bevestigt.
Het ligamcntum laterale extcrnum is in drie bandcn gesplitst: een ligamen-
lum fibulare calcanei, dat naar buiten gelcgen en langer is dan de twee
andere banden; .en een ligamentum fibulare tali anticum en posticum, digt bij
elkander geplaatst en door den vorigen band bcdekt. Bovendien heeft men
aan de rugvlakte van het gewricht nog eon bandje, dat van den binnen-enkel
schuins over den hals van hct kootbeen naar buiten loopt, en zich aan de
binncnzijde van de onderste helft van bet hielbeen bevestigt. Het ligamen-
tum interosseum, tusschcn den talus en calcaneus uitgespannen, is bijzon-
der stevig. Aan de vlaktc der voclzool ontspringt het ligamentum. calcaneo-
cuboideum, niet van het tuber, maar van het voorste uiteinde van het hiel-
been, en breidt zich ook gedceltelijk over den sulcus ossis cuboidei naar
de tarsale einden der drie laatste becnderen van den metatarsus uit. In
dwarse rigting zijn in de voetzool het hiol- en scheepsgewijze been door ste-
vigc bandmassa verbonden, lerwijl aan de oppervlakte nog een dwarse band
gelegen is, die geheel overeenkomt met het ligamentum carpi transversum
en daarom ligamentum tarsi transversum kan worden genoemd. Onder dien
band gaan de pezen van den musculus flexor digitorum longus. Aan den
buitenrand is hij aan het hielbeen en aan den binnenrand aan het scheeps-
gewijze been en het eerstc wigvormige beentje bevestigd. Ook hier ligt een
beenplaatje in dezen band.
De navoetsbeentjes en de phalangen der toonen hebben bijkans dezelfde
gedaante als de beentjes van den metacarpus en van de vingers. Ook de drie
ledcn van den grooten teen komen zeer met die van den duim overeen, ter-
wijl de eerste phalanx ook zeer bewegelijk met het daar boven geplaatste
eerste wigvormig been verbonden is. Deze eerste phalanx (gewoonlijk os
metatarsi hallucis genoemd) onderscheidt zich echter door een sterk puntig
tiitsteeksel aan de voelzoolzijde van haar bovenste uiteinde; dit uitsteeksel
W ONTLEEDKt.VDIG ONDERZOEK VAN DE.\ POTTO VAN BOSMAN.
dienl tul Mnheehiiflg van den mnsculus pcroncus longits. Ilct derdr lid van
den twccden toon hccft ccno elsvormige, naar boven gekromde gedaanlc, en
loopt puntig uit. DC derde en vijfde lecn zijn nagenocg even lang en bij-
kans 4'" lunger dan do tweede, en de vicrde is \vederom do langsle, 't gecn
vooral door de meerdere ontwikkeling van zijne eerste en hveede phalanx
veroorzaakt wordt. De sesambeentjes zijn gclijk aan die van de band.
BESCHRIJVING DER SPIEREN.
Do spieren van den Potto vertoonen vele eigenaardige bijzonderheden.
1. Iluiikjucrcn.
De buidspieren zijn in 't algemeen dezelfde als bij dc ovcrigc vierhandige
zoogdicrcn. Aan den romp heeft men aan de zijvlakten van bet ligcbaam
oene doorloopendc spierlaag, die ongeveer \ centim. breed is. Deze spier,
die wij, volgens E. BLRDACH, Mnsc. subculanciis abdominis s. maximus noe-
men % ontspringt uit de diepte der oksclbolte met een smal peesje van bet
liibcrculiun mnjus van bet opperarmbeen, verloopt vervolgens langs de zijde
dor borst en van den bulk naar beneden, en wordt in dozen loop versterkt
door bundels, die van de huid der rugvlakte van den scbouder ontspringen.
Onder aan den buik verbreedt zich deze spier, en plant zich met zijne bin-
nenste, sterkere bundels in de buid van den penis en van bet scrotum in,
terwijl dc overige bundels aan de binnenvlakte van bet voorstc gedeelte dor
dij tot aan dc knie in de huid overgaan.
De m. subculanciis colli ontspringt van de huid van den schouder en
nek, en bedekt als eene dunne spierlaag de zijvlakte van den hals, om zicb
vervolgens over bet aangezigt uit te breiden. Dc meeste bundels eindigen
in de huid van den mondhoek en van de ondcrlip. In het aangezigt koint
vervolgens nog eene huidspier voor (i. subculoncus faciei), die met de vo-
* Neuxter Bericht von der koniglichen anatomisclien Anstalt zu KiJnir/slenj. Mil einem Beitrag
znr vergleichenden Anatomie der Affen von E. BURDACH. KiJnigsberg 1838. 8. S. 7.
ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSJIAN. ^">
rige naauw zamenhangt, en als haar vervolg zou kunncn heschouwd wor-
ilen. Zij hecht zich aan de huid van de bovcnlip en aan den m. orbicu-
lar is oris, en verspreidt zich van hicr nit over het aangezigt; eenige bun-
dels gaan naar bovcn in den musculus sphincter palpcbrarum over, tenvijl
de meeste in eene schuinsche rigting over den jukboog naar de slaapstreek
verloopt, en met den muse, attollens auriculae versmelt *.
'2. Spieren van den hop.
Het schedeldak is bedekt door eene dunne spierlaag, welke uit den muse,
occipito-frontalis en den m. attollens is zamengesteld. De oorsprong van
de eerstgenoemde spier is dezelfde als bij den mensch, maar hare beide dee-
len gaan onmiddellijk in elkander over; eene galea aponeurotica is derhalve
met aanwezig.
De aangezigtsspieren zijn \yeinig ootwikkeld en onderling zeer vergroeid.
Men kan echter de volgende onderscheiden. De m. sphincter palpebraruin
is eene breede, dunne spier, die de oogleden bedekt, en dus met den m.
ciliaris Albini van den mensch overeenkomt. De m. levator labii super ioris
alaeque nasi is een stevig spicrtje, dat van den binnenooghoek langs de zij-
dcn van den neus naar beneden loopt, en gedeeltelijk op den neus, gedeel-
telijk in de bovenlip overgaat. Aan zijnon oorsprong op den neus is deze
spier met de gelijknamige der andere zijde en met den oorsprong van den
musculus frontalis innig vergrocid. Er is geen muse, levator labii superio-
ris proprius aanwezig, maar, na wegname van de vorige spier en van de
huidspier van het gelaat, komt een eigenaardig spiertje te voorschijn, dat
den naam verdient van musculus dilatator narium; deze spier ontspringt uit
de groef op het bovenkaaksbeen achter de onderoogkasopening, loopt naar
voren, en verspreidt zich in de huid van den neusvleugel. Onder deze spier,
en aan zijn' oorsprong er door bedekt, ligt de opligter van den mondhoek
(muse, levator anguli oris), een kort spiertje, dat voor het foramen infraor-
litale van den processus alveolaris van het bovenkaaksbeen ontspringt, en schuins
naar beneden in den mondhoek overgaat. Er zijn geene m. m. zygomatici
aanwezig. De muse, buccinator is zeer dun, maar onderscheidt zich overigens
Verg. fig. 9.
24 oMLUIikLNDIG ONDERZOEK. VAN DE1V POTTO VAN BOSMAN.
niet van (lien bij den mensch; boven den mondliock wordt dcze spier door
don ditclns Stenonianus doorboord. DC m. sjihincter or is is nirt a Is zelfslan-
dige spier te onderscheiden, maar wordt hoofdzakelijk door de zamcnkomst
der voorgaande spicren vervangen. Behalve den tnusculus subcutancus col It
liecft men ook geene spieren voor de bcweging der onderlip.
De spieren van het uilwendig oor zijn de mnscnlus altolkns, m. altrahcns
en twee m. m. retrahcntes auriculae. De muscnlus attollens auriculae is
eene brecde spierlaag, die ter zijde op het schedcldak ligt, en met den mus-
ciilus occipito-frontalis zamenhangt; hij hechl zicli aan den grond van de oor-
sclielp. De m. attrahcns auriculae ontspringt van den wortel van den jukboog;
het is een kort, slevig spiertje, dat zich van voren aan het oor vaslhecht.
De >. m. retrahcntcs auriculae zijn twee langc, dunne spicrljes, die van de
linca scmicircularis van het achterhoofd ontspringen, en in de acbtervlakte der
oorschelp overgaan.
De kaauwspieren zijn zeer ontwikkcld. De m. Icmporalis en m. masselcr
zijn niet volkomen gescheiden, maar gaan naar binnen van den jukboog on-
merkbaar in elkander over. De m. lemporalis ontspringt namelijk niet alleen
van de slaapgroeve, maar ook van de binnenvlakle van den jukboog, waarna
alle bundels zich aan den processus coronoideus aanhechten. De m. masseler
ontspringt van de buitenvlakte en den onderrand van den jukboog, en plant
zich aan de builcnvlakte van den geheelcn" rainus maxillae in; aan deze spier
zijn geene twee afzondcrlijke lagen te onderscheiden; de vezcls verloopen
nagenocg door de geheele spier zeer schuins van voren naar achteren. De
in. })terygoideus intcrnus onderscheidt zich door niels van deze spier, zoo als
xij bij den mensch voorkomt. De m. pterygoideus cxtcrnus hceft twee hoofdjes,
\\aarvan het eene uit de cliepte der slaapgroeve en het andere van de bui-*
tenvlakte van den processus pterygoideus oulspringl; de vezels van beide
loopen van voren naar achteren, en hechten zich vereenigd vast aan den hals
van het gewrichtshoofd der onderkaak en aan den beursband van het kaak-
gewncht,
3. Spieren van den hat*.
Onder de huidspier van den hals komt de muse, slerno-cleido-mastoideus
het eerst te voorschijn. Deze spier is stevig en breed, en neemt de geheele
zijvlakte van den hals en nek in; met haren buitenrand grenst zij onmiddel-
ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN. 25
lijk aan den voorrand van den m. cucullaris. De spier is niet, zoo als bij
vele Quadrumanen *, in een m. slernomasloidcus en m, cleidomastoideus ge-
scheiden, maar vormt slechts eencn enkelcn spierbuik. Ontspringcnd van den
bovenrand van bet borst- en van de grootste helft van bet sleulelbeen, liecbt
zich deze spier aan de gebeelc linea scmicircularis van bet acbterboofdsbeen.
DC muse, omohyoideus, onder den vorigen gelegen, verscbilt alleen daarin
van dien bij den mcnsch, dat hij gcene tusschcnpees aanbicdt, waardoor hij
in twee buiken gescheiden wordt "j*.
De m. sterno-hyoideus, naar binnen van den m. omohyoideus gelcgen, onl-
springt zeer laag van dc achtervlakte van bet manubrium sterni, en is aldaar
vergroeid met den m. stcrno-lhyrcoideus. Eerst in haar verder verloop hoo-
ger aan den hals, scbeiden zich deze spieren, lenvijl zich de m. sterno-hyoideus
aan den grond van bet tongbeen, de m. sterno-thyrcoideus aan bet schild-
vormig kraakbeen vaslbecbt. De m. hyothyrcoideus is zeer kort, doordien bet
tongbeen bijna onmiddcllijk met den bovenrand van bet schildvormig kraak-
been verbonden is.
Boven bet tongbeen zijn de spicren in dc volgende orde gelegen. In de
eerste plaats vindt men bier den musculus biventcr maxillae inferioris. De
achterste buik van deze spier is kort en dik, en ontspringt met eene breede
oppervlakte van de bulla tijmpani. De voorste buik ontspringt aan den rand
der ondcrkaak van de kin tot aan den voorrand van den m. masseter ; aan den
anguhis maxillae is deze buik door middel eener dunne pees met den ach-
lersten verbonden, tcrwijl eenige vezels zich afzonderlijk aan bet tongbeen
vastheclitcn. Aan bet voorste gedeelte blijft er tusschen de twee spieren
van beide zijden eene ruimte over, waarin de m. mylo-hyoideus zigtbaar is .
Deze spier (mylo-hyoideus] vtdt, even als bij den menscb, de geheele ruimle
* MECKEL, System d. vergl. Anal., III. S. 427. Bij vele Apen ontbreekt het sleutelbeens-gedeelte
dezer spier. Het is echter ook bij Stenops tardigradus en javanicus aanwezig. VKOLIK, Eecherches
etc., Ferhandel. van de Eerste Klasse van het KoninU. Ned. Inst. \. 1. bl. 107. Bij Otolicnus Peli
vond KINGMA deze twee spieren geheel gescheiden 1. 1. p. 21; even zoo BUKMEISTEK bij Tarsiits,
1. 1. S. 37.
f Deze spier ontbreekt bij vele groote zoogdieren, maar komt bij de Apen, eenige Carnivora en
Marsupialia voor. W. VEOIIK, Eecherches, Niemve Verhandel. van de Eerste Klasse van het Kon.
Ned. Inst. Dl. X p. 107.
De m. biventer is eveneens uit twee buiken zamengesteld bij Stenops tardigradus en javanicus,
W. VKOLIK, Eecherches etc., Verhandel. van de Eerste Klasse van het Kon. Ned. Inst. 1.1. p. 107.
25
NATUURK. VERB. DER KONINKL. AKADEMIE. DEEL VII.
'2< ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAV
oiulcr do onderkaak; do uclilorslc buiulels bcvcsligon zich ook aan het long-
been, Imvijl de ovcrigc zich in het midden met die van lie andere zijde in
rone raphc verecnigcn. DC m.m. ycniohyoidci van beide zijden zijn met cl-
kafir, vorgroeid en vorinen le zamen cene brecde spier. De m. gcnioglossus
komt volkoincn ovcrccn met dien van den mensch, even als de in. hyoglosxux,
die na het wegncmen van den in. mylo-hyoideus en bivcnler to voorschijn komt.
De musculus slyloglossus en m. slylopharynycus liggen meer lor zijde, be-
dekt door den achtersten buik van den m. bivcnlcr; het zijn kleine spiertjes,
die van de bnlla tyinpani en den, daaraan bevestigden, kleinen hoorn van het
tongbecn onlspringen. De m. styloglossus, die boven den m. stylopharyngcus
ligt, is langer, en gaat aan den achterrand van den m. hyoglossus in de long
iiver; de m. slylopharyngcus vcrspreidt zich onder het tongbecn in de wan-
den van don pharynx.
Ken m. slylohyoideus, die bij de Apen aamvezig is *, ontbreekl bij den Polio.
Wat de diepor gclegcn halsspieren bctreft, de m.m. recli capilis anlici
minor en major zijn op de gcwone wijze aanwczig. De m. rectus capitis
lateralis is naar buiten van den m. rectus anticus minor gelegen; even als
dezc ontspringt liij van het dwarsc uitsteeksel van den cersten balswervel,
en hccht zich aan den grond des schedels in eene groef tusschen de bulla
ti/mpani en dc achterhoofdsknokkels. Aan den m. longus colli kan men, zoo
als bij den mcnsch, drie gedeelten onderscheiden : het ondersle gedcelte
strckt zich van de ligchamen der vier bovcnste borstwervels naar dc dwarse
uitstceksels dcr drie onderstc halswervels uit; het bovenste onlspringt van
de dwarse uitsteeksels der middelste halswervels, en hecht zich aan den
knobbel voor op den ring van den cersten halswcrvcl; het binncnstc ge-
declle cindelijk ontspringt van de ligchamen der drie onderste halswervels
en hecht zich aan het ligchaam van den tweedcn en derden halswervel,
Er zijn slechts twee driehoekigc halsspieren (m.m. scaleni) aanwezig, door-
dien de m. scalcnus anticus, die bij den mcnsch voor de ondersleutelbecns-
slagader en de armzenuwvlecht gelegen is, ontbrcckt, 't geen ook bij vcle
andere zoogdieren het gcval is "j". De voorsle m. scalenus, die aan den medius
* BUBDACH 1. 1. p. 16, VROLIK, Reck, sur le Chimpanse, p. 27 ; ook bij Tarsius, BURMEISTEU
1. 1. p. 35.
t Bij de Apcn zijn er gewoonlijk drie m. m. scaleni, bij Lemur en Stenops slechts twee. MECKEL,
Syst. der vergl. Anat. III. S. 418. Bij Tarsius echter vond BUIIMEISTEK drie m. m. scaleni. 1. 1. S. 37.
ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN. 27
des mcnschcn beantwoordt, is onmiddcllijk achlcr de genocmde slagader en ze-
nuwvlccht gelcgen, en slechts ecne klcine spier, die van den bovenrand dcr
eerste rib naar de dwarse ukstecksels der vier onderste balswcrvels loopl.
De m. scalenus posticus is daarentcgen krachtig ontwikkeld, en onlspringt zeer
laag van de derde, vierde, vijfde en zesde rib met afzonderlijke bundels lus-
schen den m. serratus anlicus major; vervolgens stijgt de spier achter den
m. scalenus medius langs den hals omhoog, en hecbt zich aan de dwarse
uitsteeksels der drie bovenste halswervcls *.
A. Borslspiercn. f
De groole borstspier (m. pccloralis major) bestaat slechts uit een gedeelte
(portio sierno-costalis) , hetwclk langs den rand van bet smalle borslbeen,
van de kraakbeenderen der negen bovenste ribben en met eenige wcinige
bundels van de verbinding tusschen borstbeen en sleutelbeen ontspringt. De
spier plant zich aan de spina tubcrculi majoris van het opperarmbeen in.
De spieren van beide zijden komen met elkander in de mediane lijn te za-
men, waar zij door eene peesachtige raphe vereenigd zijn.
De m. pecloralis minor is eene breede spier, die zich verder naar bene-
den uitstrekt dan de vorige. Deze spier ontspringt langs den rand van het
borstbeen van de derde tot de tiende rib, en bovendien ook van do scheede
van de regie buikspier. Hare vezels loopen schuins naar boven en naar
buiten, en hechten zich door eene breede pees aan het tuberculum majus van
het opperarmbeen, en niet aan het ravenbeks-uitsteeksel van het schouder-
blad, gelijk bij den Mensch, den Chimpanse en den Orang-octan.
Ondcr dc kleine borstspier liggen aan de voorzijde der borslholtc twee kleine
spieren, die beide van de eerste rib haren oorsprong nemen. De bovenste
kleinere loopt schuins naar beneden, en gaat in eene dwarse peesachtige uit-
breiding over, die zich aan de lager gelegen ribben tot aan de zesde uitstrekt. De
daaronder gelegen spier is lan{* en smal; zij loopt regt naar beneden en gaat
* Zie PI. II, fig. 14. Voor de spieren van den nek verwijzen wij naar het vervolg, waar zij
met de rugspieren geiijktijdig beschreven worden; zie onder 7.
t Zie PI. II, fig. 10.
W. VROUK vermeldt bij de overige soorten van Stenops een zwak, van het sleutelbeen ont-
springend. bundeltje, Niemce Ferhandelingen, 1. 1. p. 108, Bijdragen tot de Dierkunde, 1. 1. p. 44.
Ook bij Tarsius vond BCRMEISTEE eene kleine uitwendige portio clavicularis, 1. 1. p. 50.
25*
OXTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMVN.
in de rcgtc buikspicr over; zij vormt dcrhalve hot begin van deze
Imikspicr.
DC m. serralus anlicus major ontspringt aan dc zijvlakle der borst van
de elf bovenste ribben, met twaalf landen, waarvan de twee bovenste van
de eerste rib ontstaan. De voorsle en middelslc bundcls dezer spier loopcn
naar achteren, en becliten zich aan den binnenrand van Iiet schouderblad; de
onderste tanden stijgen naar boven, en hccliten zicb met eenen omgeslagcn
rand aan den onderslen bock van bet schouderblad vast.
De m. subclavius is eenc kleine, langwerpige, dunne spier, die zich van
bet voorsle einde der eerste rib naar het midden van bet sleutclbcen uitstrekt.
De m.m. intcrcoslalcs verschillen niet van die bij den mensch; eenc apo-
ncurolische uitbreiding over de kraakbcenige gedeelten der ribben (lig amen-
tum coruscans) ontbreekt, hoewel de uitvvendige tusschenribbige spieren zich
naar voren ook niet verder dan lot dc kraakbeenderen der ribben uilstrckten.
5. Buikspieren.
De musculus rcclus abdominis ontspringt, zoo als wij bij dc borstspieren
vermeld heb'ben, reeds van dc eerste rib *. Dc spier ontvangt ook nog bun-
dols, die van dc kraakbeenderen der onderste ware ribben en van het zwaard-
vorniig verlengsel des borstbeens ontspringcn, en loopt, in hare scheede in-
gesloten, naar beneden, waar zij aan den bovcnrand der schaambecnsvcreeniging
met eene smalle pees vastgchccht is. Zoogenoemde inscriptiones tendineae ont-
breken, gelijk ook bij vele andere zoogdieren *|*. Dc in. pyramidalis ontbreekt.
De buitenste schuinsche buikspicr (m. obliquus cxtcrnus) ontspringt van
de acht of negen onderste ribben, met tanden, waarvan de vier bovenste in-
grijpen in dc onderste tanden van den m. serratm anlicus major. Naar ach-
teren hangt deze spier zamen met de fascia lumbo-dor salts, en naar vorcn
gaat zij door eene pczige uitbreiding in dc linea alba over. Deze pces-
achtige plaat slrekt zicb naar onderen niet tot dc licsgroevc uit, maar ein-
1 Dit hoog opklimmen van de regie buikspier, die de geheele lengte van borst- en buikholte
inncemt, komt niet slechts bij Carnivora maar bij vele andere zoogdieren, bij andere Lemuridcn en
bij verscheidene Apen voor. MECKEL, System der vergl. Anat. III. S. 450.
t Bij Lemur mangos vond echter MECKEL deze peesachtige dwarsstrepen en wel zeer talrijk,
namelijk 9, 1. 1. p. 451. B|j Tdrsius zag BUHMEISTEB er geene, 1. 1. S. 45.
ONTLEEDKMDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN. 29
digt, wegens den hoogen stand dor crisla ossis ilii reeds eerder in den band
van Pouparl; bencden dien band komt bet ondcreinde dcr binnenste schuinsche
spier vrij le voorschijn. Ten gevolge liiervan komcn de m. ileo-psoas en de
dijvaten tusscbcn den onderrand der binnenste schuinsche spier en de schaam-
beenskam te voorschijn *.
De uitwendige opening van het lieskanaal is zeer ruim ; bet crus internum,
dat deze opening naar boven begrenst, gaat niet in het lig amentum suspen-
sorium penis over, maar hecht zich op de schaambeensvereeniging vast; het
crus cxlcrnum hecht zich breed aan de kam van het schaambeen.
De muse, obliquus abdominis interims is dunner dan de vorige; hij neenit
zijnen oorsprong van de fascia lumbo-dor salts, en gaat naar achteren in de
scheede van den m. rectus over, terwijl eenige bundels zich aan de drie on-
derste ribben inplanten. Het onderste gedeelte der spier, dat, gelijk wij
vermeld hebben, onder het ligamentum Poupartii te voorschijn komt, ontspringt
van de fascia lata, die den m. glutaeus medius bekleedt, en het onmiddellijk
vervolg is der fascia lumbo-dorsalis.
De muse, transvcrsus abdominis vorrat eene zeer dunne spierlaag, waarvan
de vezels gehcel dwars verloopen. Hij ontspringt van de fascia lumbo-dor-
salis, de onderste ribben en de kam van het darmbeen, en gaat naar voren
\vcdcr in den achterwand der scheede van de regie buikspier over. Zoowel de
m. transversus als de m. obliquus internus geven naar onderen eenige bundels
af, die als m. cremasler langs den funiculus spermalicus naar den bal loopen.
Het middenrif (diaphragma) heeft een klein peesachtig deel (centrum ten-
dineum) ^, waarin regts het foramen quadrilaterum voor do opstijgende holle
ader gelegen is. In het lendendeel (pars lumbalis) ligt, even als bij den
mensch, dc splcet, waardoor de groote slagader heengaat, terwijl het daar-
boven gelegen gat voor den slokdarm door het binnenste en middelste cms
van de regterzijde begrensd wordt.
6. Spieren van het perineum.
De musculus sphincter ani externus ontspringt van de voorvlakte van den
* BURDACH (Myol. der A/en, S. 32) maakt ook bij de Apen op deze verhouding opmerkzaam,
die het natuurlijk gevolg is van den lang gerekten vorm van het darmbeen.
f Ook KCHL en v. HASSELT vermelden zulks bij Stenops yracilis, t. a. p. S. 37.
30 ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAIf.
I wooden staartwervel, omgeefl den anus, en gaat naar voren niet in den m.
bulbo-cavernosus over, zoo als bij den mensch, maar loopl oppervlakkig over
deze spier heen om in do liuid van hot scrotum to eiridigen.
lid onderste gedeelle van hot rectum wordt aan weorszijde bedekt door
oene breede spier, die in oorsprong en ligging geheel met den m. levalor
ani van den mensch overecnkomt. Deze spier gaat ecliter niet in den in.
sphincter ani over, maar hare vezels loopen schuins naar aclitcren en beneden,
en liechten zich aan de drie eerste staartwervels; zij zal dcrhalve, als zij
sleehts aan eene zijde werkt, den slaart zijdelings bewegen; werken die van
beiden zijden gelijktijdig, dan zullen zij den slaart buigen. Naar haren oor-
sprong en hare aanhcchting zou men deze spier den naam kunnen geven van
musculus pclvi-coccygeus. Tusschen deze spier en den zijwand van het bekken
blijft eene opening over (cavum ischio-rectale), waardoor de nervus pudcndux
rominunix naar voren loopt. (Zie PI. Ill, fig. 17.)
Als m.m. Icvatorcs ani dienon twee achter den rcgten darm gelegen kleine
spiertjes, die van het midden van bet heiligbeen aan zijne voorvlakte ont-
springcn. en naar beneden in den m. sphincter ani cxternus eindigen. Als
antagonist dezer spieren is een m. depressor ani aanwezig, die, aan de voor-
vlakte van den vijfden staartwervel ontspringcnd, naar boven loopt, en zicli
lusschen de vorige spieren aan de achtervlakte van den anus inplant.
De spieren der geslachtsorgancn : m. bulbo-cavernosus en in. ischio-cavcr-
nosus, zijn zwak, maar onderscbeiden zich overigens niet van die van den
mensch. Dwarse spieren des bilnaads (in.ni. transvcrsi perinci) zijn niet
aanwozig.
7. Rug- en nekspicrcn.
De m. cucullaris grenst met zijnen buitenrand aan den acbterrand van den
m. sterno-cleidomastoideus, en vomit met dezen de eersle spierlaag van den
nek. De spier ontspringt van de twee eerste halswervels, van het ligamen-
ttim nuchae en verder van de doornuilwassen der vjjf onderste hals- en tien
bovenste rugwervels. De aanhechting aan het scbouderblad geschiedt op de-
zelfde wijzc als bij den mensch; alleen moet wordcn vermcld, dat eenige bun-
dels aan den voorrand van deze spier zich niol aan het sleulelbeen hcchlen.
De in. Itilixsiiints dorsi ontspringt alleen van de doornuitwassen der lenden-
wervels en der tien ondersle rugwervels, naardien de van de ribben afko-
O.VTLEEDKILNDIG ONDERZOEK. VAN DEN POTTO VAN BOSMA.N. 51
mende tandcn onlbreken; zijne plalte pecs hecht zich aan het oppcrarmbeen
in eene sleuf tusschen de spina luberculi majoris et minor is.
De m. tcres major vcreenigt zich niet met de pees van de vorige spier,
maar heeft eene afzonderhjke aanhcchting aan de spina tuberculi minoris.
Onder deze eerste laag van rugspieren zijn gelegen de m. splcnius capitis,
spieren van het schouderblad en do lange rugspieren. De m. splenius capi-
tis is eene slerke nekspier, die van de doornuitwassen der halswervels ont-
springt, en zich aan de geheele linca scmicircularis van het achterhoofd vast-
hecht. Van den onderrand dezer spier scheidt zich een bundel af, die zich
aan het dwarse uitsteeksel van den alias inplant, en derhalve als musculus
splenius colli kan beschouwd \vorden.
De m. rhomboideus major en minor is slechts eene enkele spier, die in
schuinsche rigting van de doornuitwassen der vijf onderste halswervels naar
den binnenrand van het schouderblad loopt.
De m. levator anguli scapulae verloont geene bijzonderheden. Hij neemt
zijnen oorsprong van de dwarse uitsteeksels der vijf bovenste halswervels,
en plant zich aan den boven-binnenhoek van het schouderblad in.
Andere spieren, die het schouderblad opheffen, komen bij den Potto niet
voor, hoewel zij bij andere vierhqndige zoogdieren als m. levator posticus en
m. Icvator anticus vermeld worden. Evenzoo ontbreekt een m. depressor sca-
jnilac, dicn BURMEISTER bij den Tarsius bcschrijft *. De m. scrratus po-
sticus superior ontbreekt, tenvijl de serralus poslicus inferior op de gewone
wijze aanwezig is.
Van de lange rugspieren is vooral de m. extensor dorsi communis sterk
onlwikkeld. Deze spier heeft denzelfden oorsprong als bij den mensch, en
verdeelt zich ook aan de laatste rib in den m. sacro-lumbalis en m. longissimus
dorsi. De eerste spier aan de buitenzijde der laatstgenoemde gelegen is zwak;
zij hecht zich aan het achterste gedeelte der ribben vast. Als vervolg dezer
spier aan den nek gaan er van de tweede en vier volgende ribben bundels
naar de dwarse uitsleeksels der twee onderste halswervels, en vormen alzoo
den musculus cervicalis adscendens. De m. longissimus dorsi is veel dikker,
1 1. 1. p. 46. Ook KINGMA vermeldt zoodanig eene spier bij Otolicnus Pell; Fergelijkend-Ont-
leedkundige Aanteekeningen, bl. 22.
"- OXTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSJIAN
MI wordl nog versterkt door hundols van do dwarsc uitstcckscls dor zes on-
dorstc rugwervels. Naar bovcn klimmcnde hocht zich dczo spier aan de
d \varse uilslocksels dor rugwcrvels on aan do aclitorcindon dcr ribbon, on gaat
in don nok onmerkbaar over in don mitsculus Irnnwcrsnlis ccrvicis. Doze
spier ontspringt van do dwarso uitslceksels dcr bovonslc rugwcrvels, on bccbt
zich aan dezelfdc uitslecksels van do vijf bovenste halswervels. Aan de bui-
tenzijdc dozer spier ligt echler nog cen afzomlorlijke m. tnnm'crsnlis ccrvi-
cis, als con kloin spiertje, dat van de dwarsc uitslcokscls van de ondcrslo
balswervels naar de bovenste is uitgespannon.
Ondcr den m. splcnius capitis vindt men vordcr aan den nek nog oene vrij
breede spiermassa, die zich aan bet binnenstc godeelte van de linen scmi-
circularis van liet achtcrhoofd vaslhocht. Doze bestaat eigenlijk nit twee
spieren, die zich voor bare inhechting vcrocnigd hebben; do cone onlspringt
van de dwarsc uilstceksels dor twee bovenste rugwervcls, en is op bet mid-
den gehccl peesachlig (m. biventcr ccrvicis) ; do anderc, die mcer naar bin-
nen ligt, is zecr met peesvezels doorweven, en neemt zijncn oorsprong van
de dwarse uitstocksels dcr middelste balswervels (m. complexus major}.
Nadat doze rug- en nekspioren zijn wcggenomen, zict men den m. mullifi-
dus spinae, die niet van dien bij den menscb afwijkt, en in den nek in den
m. scnrispimtlis ccrvicis overgaat; dezc bestaat uit spicrbundels, die van de
dwarse uitwasson dcr bovenste rugwervcls naar de doornuitwassen dor bo-
vcnstc balsworvcls vcrloopen. Naar binnen van doze spier zijn nog eenige
bundels, die zich over de onderste naar de bovenste balswervels uilslrckken
(m. spinnlia ccrvicis).
Een afzonderlijke m. spinalis en semispinalis dorsi komt niet voor. Van
de overige kortc rugspiercn valt weinig te vermclden.
\an de m.m. Icvalorcs costarum zijn alleen de korte aanwczig.
Do m.m. interspinales zijn nergens duidelijk ontwikkcld. De m.m. inlcr-
Irnnsversarii zijn aan den hals dubbel; aan do rug- en lendemvervels zijn
zij niet te ondcrscheiden.
De spiortjes, die aan den nek tusschen hot achterboofdsbeen en de twee
bovenste halsworvcls gelogcn zijn (m.m. recti capitis postcriores, major cl
minor, m. oblirjiitts capitia superior et m. obi. cap. inferior), komen in oor-
sprong en aanhecbling volkomen overeen met die van den menscb, en zijn
krachtig onlwikkold.
ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN. 55
8. Spieren van den staart.
De spieren van den staart zijn weinig ontwikkeld, hctgeen met cle korl-
heid van dit deel overeenkomstig is. Bij naauvvkeurig onderzoek kan men
echter nog drie paar afzonderlijke spiertjes onderkennen, die den staart rond-
om bekleeden.
De m.m. levatorcs caudae zijn twee kleine spieren, die van de rugvlakte
van het heiligbeen ontspringen, en aldaar zamenhangen met den oorsprong
van den m. extensor dorsi communis. In hun verloop naar achteren gaan
de spierbundels spoedig in dunne peesjes over, die zich aan de achtervlakte
van de staarlwervels inplanten.
Van ondcren wordt de staart bedekt door de m.m. flexores caudae; deze
ontspringen in het bekken aan de voorvlakte van het heiligbeen, achterden
oorsprong van den musculus pyriformis. De spierbundels worden naar achteren
spoedig peesachtig, en hcchten zich aan de voorvlakte der staartwervels vast.
Het derde paar spieren bedekt den staart ter zijde; zij worden gevormd
door eenige bundels, die van de buitenzijde van het heiligbeen ontspringen,
en aan de zijvlakte der staartwervels eindigen.
Behalve door deze eigene spieren, kan de staart nog in zijn geheel bewo-
gen worden door den in. pelvi-coccygeus en m. ischio-coccygeus. Den eersten
hebben wij bij het perineum als buiger van den staart beschreven (bl. 50).
De m. ischio-coccygeus komt overeen met den m. coccygeus bij den mensch,
maar is vecl breeder; hij ontspringt van de spina en den bovenrand van het
os ischii, loopt dwars naar binnen, en hecht zich aan den buitenrand der
twee eersle staarlwervels. Deze spier zal derhalve den geheelen staart ter
zijde kunnen bewegen.
9. Spieren der voorste ledematen *.
De schouderspieren behoeven wij niet te beschrijven, daar zij met de
menschelijke geheel overcenkomen.
Aan den bovenarm vindt men aan de binnenvlakte, vooreerst den m. coraco-
brachialis. Even als bij Tarsius en Otolicnus { is deze spier in twee afzonder-
* Vergel. PI. II, fig. 10, 11, 12, en 13.
f BUKMEISTER, 1. 1. S. 49 ; KlNGMA, 1. 1." bl. 24.
26
KATUURK. VERH. DER KOMNKL. AKADEM1E. DEEL VII.
34 OFiTLEEDKUNDIG ONDEHZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN.
lijko deelen onderscheiden, zoodat men ecn' muse, coraco-brachialix longus en
ecn m. coraco-bracliidlix brcvis kan aanncmcn. Do eerslc hccht zich aan de
binnenvlakte van lict oppcrarmbccn van hct midden lot aan den binnenslen
romli/lus vast; doze spier is derbalve langcr, en bevcstigt zicli lager dan bij
den mensch *. De muse, coraco-bntchialis brcvis is cen kort, slevig spierlje,
dal gebcel door den pccsacbtigcn oorsprong der voorgaande spier bedeklwordt,
en zich onder bet hooi'd van bet oppcrarmbecn, achter de inplanting van den
in. tcrcs imijor, vastliocbt.
De m. biceps brachii beel't \verkclijk twee boofden "f*. Het lange hooi'd
onlspringt op de gewone plaals, en gaat in eenen slevigcn spicrbuik over,
die zich door middel eener ronde pees aan de tuberositas radii inplant. Het
korle hoofd, dat op bet midden van bet armbeen in dozen spierbnik over-
gaat, vormt slechts cen' kleinen bundel, die' niet van bet ravcnbeks-uitwas
maar van do pees van den m. coraco-brachialis zijnen oorsprong neemt.
De m. bnichialis interims ligt onder de twechoofdigc armspier, tusschen
de aanhechting van den m. coraco-brachialis on den oorsprong van den m.
xupindlor longus; deze spier komt in oorsprong en aanbccbting met die bij
don mensch overeen.
De m. biceps brachii aan de achterzijde van den bovcnarni beeft geheel
de gewone zamenslelling; allcen moclen wij opmerken, dat de peesacbtige
uilbreiding, waarin bet uitwendigc boofd overgaal, ofscboon aan haren binnen-
rand met do pees van bet lange hoofd vcrbonden, loch nicer afzonderlijk
aan bet olccranon en den buitenslen condylus van hct opperarmbeen is in-
gehecht.
De m. anconaeus quarlus ontbreekl.
De m. anconaeus quintus, die in de oksclhollc van de pecs van den m.
latissimus dorsi onlspringt, en bij vele zoogdieren (en bepaald bij alle vier-
handige) gevonden wordt, is bij den Potto, even als bij den Tarsius eene
' lletzelftle vond VY. VKOLIK bij de andere soorten van Stenops.
f MECKEL schrijft bij Stenops aan den m. biceps slechts het lange hoofd toe. System der veryl.
t., III. 8. 623. Bij den kukang (Stenops javcfnicus) vond ecliter W. VIIOLIK twee hoofden van
deze spier, en zoo ook beschrijven BURMEISTEK den m. biceps bij Tarsius, 1. 1. p. 56, en KINGMA bij
OtoUcnus Peli, 1. 1. p. 24.
BCBMEISTER, 1.1. S. 50, 54; ook bij Otolicnus Pelf, KINGMA 1.1. p. 25, 26.
Dat er bij den mensch eene, vroeger door BEUGMANN opgemerkte doch als anomalie beschouwde,
ONTLEEDKUNDIG ONDEUZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN. 55
afzonderlijke spier, die gehecl van do driehoofdige armspier gcsclieiden is.
Dezc spier slrckt zich langs do binncnvlakte van den bovenann naar bene-
den uit, en hccht zich naar binnen van de inplanting dcr driehoofdigo spier
aan bet olecranon vast.
Aan den voorarm vertoont de cerste laag van spieren aan de buigvlakte
geene nocmcnswaardige afwijking van hctgeen wij bij den mensch opmer-
ken. Ook de plaatsing dozer spieren (in. pronator teres, m. flexor carpi ra-
dialis en iilnaris, m. palmaris longus) is geheel dezelfde als bij den mensch.
De m. flexor digitorum sublimis (per for a i us] is eene zeer zwakke spier,
die aan den voorarm tusschen de bcide hoofden van den m. flexor digitorum
profundus gelegen is. Deze spier ontspringt van den inwendigen condylus
van hot opperarmbcen en het bovenste gedeelle der cllepijp, en splitst zich
boven den bandvvortcl in drie dunne peesjes, die naar de drie laatste vingers
verloopen. Hierbij verdeelt zich elk peesje, onmiddellijk onder het ligamen-
tiim carpi transversum, in twee zeer fijne crura *, die zich, na vorming van
het cliiasma Camperi, ter zijdc van de tweede phalanx der genoemde vingers
inplanten.
De m. flexor digitorum profundus is daarentegen krachtig ontwikkeld, en
bestaat uit twee afzonderlijke gedeelten, welker pezcn zich met elkander ver-
eenigen. Het eene gedeelte ontspringt van den inwendigen condylus van het
opperarmbeen en de voorvlakte van het spaakbeen, het andere van de bo-
venhelft der ellepijp en van het ligamentum inlerossetnii. Deze declen gaan
elk in eene slerke pees over, en deze pezen splitsen zich weder in tweeen,
boven liet ligamenlum carpi transversum. Verder vereenigt zich nu eene der
pezen van beide spieren, en hecht zich als flexor pollicis longus ^ aan het
verbinding van de pees van de breede rugspier met den musculus triceps standvastig voorkomt, werd
door Prof. H. J. HALBERTSMA in 1855 ontdekt; zie Verslagen en Mededeelingen der Kon. Akad. van
Jfetenschappen. Afdeeling Natuurlunde, Deel IV. 1856. p. 238 246. Deze vereeniging vertoont
zich onder twee vormen, waarvan de tweede vooral als een analogon van dezen m. anconaeus quintus
beschouwd kan worden; zie bl. 242 en fig. 2 der bijgevoegde plaat.
* De hooge splitting van de pees van den oppervlakkigen buiger der vingers, die KINGMA bij
Otolicnus Pelt waarnam (t. a. p. bl. 27), is dus geenszins eene toevallige afwijking, een lusus naturae,
gelijk hij geneigd scheen aan te nemen.
f Dit ontstaan van den flexor pollicis longus uit de pees van den musculus flexor digitorum pro-
fundus zag W. VEOLIK ook bij andere soorten van Stenops. Nieuwe Verhandel, van het Kon. Ned.
Inst., X. bl 109.
26*
"<> O.MLEEDKUNDIG ONuERXOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN.
nagellid van den duini vasl, lerwijl dc twee overige pczcn dcr gcmcldc spier-
deelcn zich, na Iiarc vcrccniging ondcr Iict ligaincnlmn carpi Irnnsvcrsum, in
dric pczcn vcrdeolcn. Dczc dric pczcn loopen door de splcct dcr pczcn van
den in, flexor digitonnn sublimis, en hcchlcn zich aan hct laatslc lid dcr drie
laatste vingcrs. Eene afzonderlijkc langc buigspicr van den duim is dus nict
aanwezig, en bovendien is hct zccr opmerkelijk, dat noch de flexor diyitorum
suHtmp noch de i>rofundus zicli aan den korten wijsvingcr hevcstigeri.
In de hand onlspringen van de pczen van den musculus flexor digitonnn
profundus dc m.tn. linnbricales als langc, dunne spicrljcs, die zich aan den
radialen rand der dric laatste vingers naar de aponcurosis op den rug der
hand omslaan.
De M. pronator quadratus is volkomen gclijk aan dien hij den mensch.
Aan de rugvlakle van den voorarm vindt men het eerst aan de radiale
zijde den m. supinator longus, die zcer hoog aan het os Intmeri ontspringt,
onmiddellijk ondcr de inplanting van den m. delloideus en den oorsprong van
den m. extensor carpi radialis longus. Ovcrigens komt deze spier met de
gclijknamige bij den mensch ovcreen. De m. extensor carpi radialis longus
ontspringt van het onderste derde gedcelte van hct oppcrarmbeen ; de m.
extensor carpi radialis brcvis onmiddcllijk daaronder van den condylus inter-
ims. Beide spiercn wordcn langs den buitenrand van den voorarm door den
m. supinalor longus bedekt, De sterke pezcn, waarin deze spicren overgaan,
loopen onder het ligamentuni carpi dorsalc naar de hand, waar de pees der
lange spier zich aan den grond van hct nahands-beentje van den wijsvinger,
en die dcr korte aan dezelfde plaals van hct nahands-beentje van den mid-
delvinger inplant.
Op het midden nagenoeg van de rugvlakte des voorarms, ligt de muscu-
lus extensor digitonnn communis. Deze spier is zwak ; zij ontspringt van
den condylus cxlcrnus ossis humcri, en ligt in haar vcrloop ccrst lusschcn
den m. extensor carpi radialis brevis en den m. extensor carpi ulnaris, later
tusschen den muse, abduccns pollicis longus en extensor carpi ulnaris. Boven
den handwortel gaat deze spier in vier peesjes over, die, na onder het liga-
mentum carpi dorsalc te zijn doorgegaan, zich in hct peesachtig vlies van den
derden, vierden en vyfden vinger vcrspreiden; de bcide middelste pezen zijn
aan den vierden vinger bevestigd; naar elk der twee overige vingcrs gaat
slechts eene enkele pees; op de rugvlakte der hand zijn deze pezen niet
door aponcurosen met elkandcr vcrbonden.
ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOS1IAN. 57
De m. extensor carpi ulnaris is bijzondcr stevig, en ligt tusschen de ellc-
pijp en de vorigo spier. Deze spier ontspringt van den buitensten knokkel
van het opperarmbeen en den buitenrand der ellepijp, en hecht zich door
eene stevige ronde pees aan het basale uiteinde van het metacarpale been
van den vijfden vinger.
Genoemde spieren vcrloopen in de rigting van de lange as van den voor-
arm. Onder deze laag liggcn spicrcn, die dcze as kruisen: de m. supinator
brevis, m. abducens pollicis longus, m. extensor pollicis longus en m. indica-
tor; de m. extensor pollicis brevis ontbreekt *. De m. supinator brevis ver-
toont niets bijzonders.
Wat de spieren van den duim betreft, de lange aftrekkende spier van den
duim is vrij stevig, en ontspringt breed van het spaakbeen en het ligamen-
tum interosseum. Tusschen den m. supinator longus en m. extensor digitorum
longus te voorschijn gekomen, slaat zij zich om het spaakbeen been, over-
kruist daarbij de twee m.m. extensores carpi radiales, en hecht zich aan het
basale uiteinde van het eerste lid van den duim vast.
De m. extensor pollicis longus, tusschen de vorige en den m. indicator ge-
legen, ontspringt van het bovenste gedeelte van de ellepijp en van den tus-
schenbeensband; de pees gaat even als de overige onder het ligamentum
carpi dorsale, overkruist op den handwortel de pezen van de m.m. extensores
carpi radiales even als die der vorige spier, en hecht zich aan het nagel-
lid van den duim.
De m. indicator is eene klcine spier, die van de ellepijp en den tusschen-
beensband ontspringt. Het peesje dezer spier verloopt onder het ligamentum
carpi dorsale langs de pezen van den m. extensor digitorum communis, en
gaat verder in de peesachtige uitbreiding op den rug van den kleinen wijs-
vinger over.
De spiertjes van den thenar en antithenar zijn dezelfde als bij den menscb,
met uitzondering van den m. opponens, die aan beide ontbreekt. Bovendien
verkrijgt de wijsvinger, waaraan de lange buigers zich niet bevestigen, in
de hand eenen m. flexor brevis.
Aan den duim onderscheidt men derhalve den m. adductor,, flexor en ad-
* Volgens W. VKOLIK ontbreekt deze ook bij andere soorten van Stenops, en is met den abdu-
longus pollicis versmolten. Nieuwe Verfiandel. van het Kon. Ned. Inst., X. bl. 109.
58 ONTLEEDKMDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN.
Jttctor brevis. De . adductor pollicis brevis is con zwak spiciije, dat van
hel lii/tiniciitiim ctn-jti transvcrsum ontspringt, en zicli aan den grond van hel
Iweede lid van den duim inplant. De m. flexor i><>lli<-ix brevis ligt aan de
binnenzijde der vorige spier, en heeft, even ais bij den inensch, twee hoofdjes,
die de pees van den langen buiger van den duim Uisschen zich door lalen.
Dezc boofdjes ontspringen op de gewone wijzc, en bechten zich, na bunne
vereeniging aan bet achlerst uiteinde, en met eencn doorloopcnden spierbun-
del ook aan bet voorsle cinde der twecde phalanv vast. DC m. adductor
pollicis brevis is eene dikkc, breede spier, die in de dieple der bandpalm
van bet metacarpus-been van den tweeden en derden vinger ontspringt. Zijnc
voxels loopen dwars naar buiten, en hecbten zich in de brcedtc aan den gc-
beelen binnenrand van bet tweede lid van den duim.
De m. flexor indicts brevis is eene spiermassa, die in de bandpalm van
de binnenvlaklc van bet peesvlies (fascia palmaris) ontspringt, en zich aan
de eerste en rudimentaire tweede phalanx van don wijsvinger bevestigl.
Aan den vijfden vinger heeft men een' m. adductor en m. flexor diyiliquinli.
DC m. adductor is een smal spicrtje, dat van het os pis i forme ontspringt, en
zich aan de basis van het eerste vingcrlid vasthecht. De m. flexor ligt aan
de binnenzijde van de vorige spier, ontspringt van bet ligaincntum carpi
transvcrsum en den haak van het os hamatum, en plant zicli aan den ge-
heelen binnenrand der eerstc phalanx.
De tusschcnbecns-spicrcn (m.m. intcrossci) zijn door haar aantal en bare
plaatsing zeer onderscbeiden. DC m.m. interossei cxlerni (bicipiles) zijn vier
in getal. DC eerste en tweede, van den duim af gcrekcnd, hecbten zich
aan 0 omi'EDKDNDlG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN.
aan den achlerwand der buikholte bevestigd; terwijl hct pancreas
dwars voor dc ruggegraat, op de gcwoiie wijze achler de maag, en met zijn
hoofd in de kromming van het duodenum gelegen is. De overige dunne dar-
men zijn gezamcnllijk door een zeer lang mesenterium aan de wervelko-
lom opgehangen, en liggen overigens vrij in de buikholte. Dien ten gcvolge
heefl hct caecum geene bepaalde ligging, en het langc colon loopt met ver-
M hillendc kronkclingen door de buikholte, lot dat het zich onder de maag,
als een zeer kort colon transversum, over het onderste gcdeeltc vun den twaalf-
vingerigen darni heenslaat; het gaat vervolgens in het colon descendens over,
hetgeen eenigzins links van de wervelkolom regt naar onderen loopt, en zon-
der eene flcxura sigmoidea in den regter darm eindigl. Dit colon descendens
is afzonderlijk door een zeer kort mesenterium aan de lendenstreek der wer-
velkolom verbonden, terwijl het colon transversum aan de groote curvatuur
der maag door een ligament um gastro-colicnm verbonden is. Ot'schoon een
eigenlijk omentum nuijus ontbreekt, is er echter aan de oppervlakte over de
dikke daemon van het colon transversum af tot aan het coecum eene verlen-
ging van het peritoneum uitgespannen, maar dit vlies vcrbindl de afzonder-
lijke darmlussen van het colon, en eindigt naar onderen nict met eenen vrij en
rand. Het omentum minus of liijumcnlum hcpalico-gastricum is op de gewone
wijzc aanwczig, en tusschen dit dcel en het liyamentum hepatico-duodcnalc
vindt men eene ruimc opening (foramen Winslowi}, welke toegang verleent
tot de saccits rclro-venlricularis in het peritoneum.
De maag vertoont de gedaante, die aan deze laimlie en inzonderheid aan
Stenops * eigen is. De fundus ventriculi is zeer groot, doordien de slok-
darm zieh digt bij den pylorus in de maag inplarit, en dien ten gevolge is
ook de bovenste bogt zeer klein in vcrgelijking der onderste. Ter zijde van
den pylorus, die zich geheel aan den bovenrand bevindt, vormt de maag regts
eene kleine blinde verlenging. Overigens heeft de maag eene gewone grootte 7.
In matig met lucht gevulden toestand was bij het eene voorwerp de lengte der
maag van regts naar links Tcentim.; de curvatura minor was li centim, lang;
de lengte van den fundus ventriculi van regts naar links bedroeg 4i centim.,
* SCHROEDER VAN DER KoLK, Bijdrage tol de Anatomic van Stenops A~K/.. Slokdarm. . J
c. Ncderdalende aorta. OVCrbll tSel pfCVOllden
d. Ondervlakte van het hart.
a
L--C
HART- EN VAATSTELSEL.
Het hart is, behalve door hct harlezakje, van voren ook nog door een ge-
deelte der pleura bekleed. De pleura costalis strekt zich namclijk naar voren
tot bet midden van het borstbeen uit; hier ontmoeten aldus die, van beide
zijden liggende_, sereuse vliezen elkander, en zjj slaan zich dan in eene plooi
* Eveneens bestaat ook bij de overige soorten van Stenops de regter long uit vier, de linker uit
twee lobben. SCHKOEDEK VAN DER KOLK en W. VEOLIK, Bijdragen tot de Lierkunde, t. a. p. p. 47.
Ik vond, in het vroeger door mij onderaochte voorwerp van Potto, drie lobben in de linker long.
Verh. van de Eerste Kl. van het Kon. Nederl. Inst. 1. c. p. 7. Dat zal derhalve eene afvvijking zijn.
Ook KINGMA vond bij Ololicnus Pell vier lobben in de regter- en twee in de linker long, t. a. p.
biz. 42. Bij Tarsius telde BURMEISTEII zes kwabben in de regter- en vijf in de linker long, terwijl
CUVIER en MECKEL (Syst. der vergl. Anat., VI. S. 422) slechts vier lobben in de regter-, drie in
de linker long van dit dier telden.
f Evenzoo vond KINGMA ook twee zijdelingsche, niet verbonden schildklieren bij den door hem
onderzochten Otolicnus, t. a. p. biz. 42.
29
NATUURK. VERH. DER KOM.NKL. AKADEMIE. DEEI. VII.
58 ONTLEEDKU.VDIG ONDEKZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN.
naar achleren, om, langs hct pericardium en met zijne oppcrvlaktc eenig-
/ins vergroetd, aan den linker Itiliis inilmoitiun in hot' visccralc blad over te
gaan. Hot liaiiczakjc is eng oni lict hart geslolcn, en van onderen nict aan
hot peesachtig deel van het middcnrif vastgegroeid. Het hart zelve is breed,
en heeft ongeveer de gedaanle van eencn slompen kegel. Het ligl bijna
in dezell'dc schninsclie rigting als bij den mcnsch, on is eenigzins om zijne
li'iigte-as gedraaid, want aan do voorvlakte is slechls een gcring gcdeelte
van de linkerkainer zigthaar. 0|) de voorvlakle ziel men ecne flaauwc aan-
duiding van 0011011 mi leu a loni/itiiilinaliti, die zicb regts van dc punt naar de
arhlervlakle ombuigt. In zamenslelling komt het hart gehcel overeen mctdat
van den mensch, zoo dat eene verdere beschrijving niet noodig schijnt to zijn.
Aan do inmonding der ondersle holle ader in dc regter voorkamer is een
rudiment der valvula Eustachii. Op den overgang van den achtcr- en
hinnenwand hecl't men de inmonding van de vena coronnria cordis met de
vulvnla Thchcxii. Ook de fossa ovalis is duidelijk te onderscheiden. In de
kamers konden wij noch aan de valvulac tricuspidales en mitrales, noch aan
de valvulac scmilitnares eenige bijzondcrhcid opmerkcn; de oorsprong der
(trlcriae coronariac cordis valt boven bet bereik der laatstgenocmde klapvliezen.
Uoven bet hart zijn in het cavum mediastini anlcrius gelegen van regls
naar links: de bovenste holle ader, de groote slagader en do longslagadcr. In
do vorming der bovenste holle ader uit de beide venae (tnonymae is nicls bij-
zonders op le merken. De aorta, aan haren oorsprong door den bulbus der
longglagader bedekt, buigt zich bijkans onmiddellijk als arcus aortae naar ach-
loron om. De longslagader, die zich aan den hollen rand van den slagader-
linog in hare twee takken verdeelt, is daarom eveneens zcer kort. De long-
aderen komen met die van den mensch overeen.
Uit den boog der aorta onlspringen, zoo als bij de meeste zoogdieren, twee
vaaistammen, eene artcria innominata en de arteria subclavia sinistra *. De
Deze oorsprong der hoofdstainnicn van de slagadereu bij den Potto wcrd ook door raij vroeger
opgemerkt. Hy komt ook overeen met hctgeen bij de overige soorteii van Stenops werd waarge-
uomen, hoezeer somtijds de raenschelijke inrigting (trunciis anonymus, arteria carotis sinistra en art.
subclavia sinistra) en ook eene verdeeling in twee stainmen (beide trunci anonymi) door SCHROEDEK
VAN DEB KOLK en \V. VKOLIK opgeteekend werden. By dr. tot de Dierk. 1. c. p. 47, 48. Pit laatste
wcrd door SCHROEDER VAN DER KOLK bij liet jonge voorwerp van Slenops javanicus, door hem in
1826 onderzocht, gevonden. Tijdschr. voor Nut. Gescli. en PliyaioL, VIII, 1841. Dc, in den
trkst opgegeven oorsprong der slap:adcrsi;iinmen is cchtcr ongetwijfeld bij alle soorteii vnn
ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BUSMAN. 59
eerstgenoemde slagader, vecl slcrkcr dan dc laatste, geeft nog in de borsl-
holtc de linker arteria carotin af, en splitst zich daaniii, achter de arteria
sterno-clavicularis, in de arleria carotis dextra en art. subclavia dcxtra.
De beide arlcriae carotides communes slijgen langs de zijdcn der luchtpijp
loodregt naar boven, en vcrdeelen zich op de gevvone hoogte in eenc carotis
cxlerna en inlerna. DC carotis externa s. facialis loopt, door den aclitcrstcn
bulk van den musculus biventer bedekt, naar den hoek der onderkaak, en door-
boort vervolgens de glandula parotis, om achter den ramus maxillae als ar-
teria temporalis en maxillaris interna te eindigen. In dezen loop geeft zij,
nagenoeg zoo als bij den mcnsch, behalvu eenen sterken spiertak voor den
musculus sternocleido-mastoideus, naar voren af: 1) de arteria lliyrcoidea su-
perior, 2) de arleria lingualis en 5) de art. maxillaris externa; naar binnen
zendt zij de sterke arteria pharyngea adscendcns af en naar acbteren een
takje, dat aan den achterrand der parotis zich in tweeen splitst; een dezer
takjes vcrsprcidt zich als art. auricularis posterior in bet uilwendig oor,
lerwijl bet andcre dwars over de bovensle aanhechling van den musculus
slerno-cteidomastoideus naar bet acbterboofd verloopt, en zich daar als art.
occipitalis verspreidt.
De a. carotis interna s. ccrebralis, naar binnen en achteren van de carotin
externa gclegcn, stijgt door bet foramen caroticum in de schedelholle, alwaar
zij vcrder door den sinus cavernosus naar voren loopt. De lakverdeeling komt,
voor zoo ver wij konden nagaan, overeen met die bij den mensch; ook ver-
eenigen zich de beide imvcndige carotiden door eenen sterken ramus com-
municans posterior met de art. verlebralis tot eenen circulus arleriosus
Willisii.
De vena jugularis interna, die bij den mensch met de art. carotis in eene
scheede bevat is, verloopt bier aan den bals geheel naar achteren van de
art. carotis, doordien bet foramen jugularc aan den grond van den schedel
ver achter het foramen caroticum is gelegen. Deze ader ontstaat aan bet
foramen jugulare uit den sinus transversus, en ontlast zich naar beneden in
de vena anonyma, Aan den hals neemt zij alleen de aderen van den pha-
rynx en larynx en van de tong op, terwijl de vena facialis anterior en de
vena facialis posterior aan den hoek der onderkaak in de vena jugularis ex-
de gewone; hij schijnt bij de Lemnriden regel te zijn, en werd ook door Dr. KINGMA bij Otolicnus
29*
Peli aangetroffen.
<><' ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN.
lenia ovorgaan. Dezc VMM loopt oppervlakkig over den iitiiscitln*
40MOffoid0M naar hcncdcn en aclilcrcn, en verccnigt zich achtcr het sleu-
lelboen mol do vena ceplmlii-a lot cen' aderstam, die onder liet slculelboen
in do vena d.rilltirix inmomlt.
De arlcriii subrlavia trcedt bij haren loop niet tusschen dc mnsciili xralcni
hcen, aangczien de musntlus scalt'ims unticus, zoo als wij reeds bij de spieren
liobben opgeloekend, alSvo/ig is. Deze slagader ligt onder den plexus bra-
chialis en onmiddellijk achtcr de vena subclavia.
De takkcn, dio wij nil de arteria subdavia zien onlspringcn, zijn, bohalve
siiii'i'lakkon voor do oppervlakkigc bals- en nckspicren, de volgende slagadoren :
Arlcria vwlebralis; zij dringt naar boven toe spoedig in bet wcrvclkanaal.
Arteria inamtnariit inlcrnd; zij treed t met den nervus phrcnicus achler
do oerste rib binnen de borstbollc, en beeft vcrdor don gewonen loop.
Arlerin ccrvinilis profunda; zij onlspringl naar builen van de arteria
wrlrbralis, en vcrspreidt zicb in de dicpe nekspicren;
en ten laatste een tak, die dwars door den nek naar builen loopl, en^ bebalvo
verschcidene spierlakken, de arlcria transversa scapulae afgeeft.
Do tirtcrin en ven axillaris gaan, na ccrst de omliggende spieren met
takken lo bobben voorzicn, aan den ondefrand dcr oksellioltc boido gebeel
over in hot wonderncl dor voorslc ledematen. Dit wondcrnet heeft eenon
vrij groolcn omvang, en bestaat uil zeer fijne, evcnwijdig loopcnde valen. Met
ligf in don silicas bicipitalis inlcrnus, en geeft verschcidcn lakjcs af voor do
spieren van den bovenarm *. Ongevecr op hcl midden van den bovenaim
verdcek het zich in twee hundels. Hot dieporc gcdeelle Ireedt met den ncrvus
incdianns door hot foramen supracondyloidcum, en verhcrgt zich verder onder
dc bnigspieren, dio van don condyhts inlcrnus humcri onlspringen ; het nicer
oppervlakkigc gcdoellc loopt naar de plica cubili, alwaar bet door eene boog-
vormige anastomose zich verbindt met de vena reiilialini, on verder naar be-
ncden ovcrgaat in de arteria en vena radialis. Deze valen loopen lusschcn
dezelfde spieren als hij den niensch naar den carpus, en versprciden zich
vorder zoo wel in do palm als over den rug van de hand. De arteria ul-
naris on vena ulnaris zijn hcl vervolg van het dicpcrc gcdeclte van het
De art. linmeralis /,/;///,/,/ ontspringt, volgcns W. VKOLTK, niet nit het womlernet niaar uit
i- //. ,i.rill/v \',,-h. der Eerstc Klasse van fiet Kon. Ncderl. fust., Deel X, p. 88.
ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN. 61
wondernet, en konien op hct midden van den voorarm tusschcn den muscuhi*
flexor carpi ulnaris en m. flexor digitornm communis le voorschijn. Vergezeld
van den nervus ulnaris, verloopen zij verder over hct ligamentum carpi tranx-
versum naar de liandpalm, alwaar zij zich boogvormig naar de radiale zij do
ombuigen, en den oorsprong gcvcn aan vier arteriae en venae digilalcs volares.
De vena basilica ontbreekt. De vena ccphatica is eene vrij dikke adcr,
die in haar verloop gclioel met die van den mensch overecnkomt. Zoo als
wij reeds vcrmeld hebbcn, treedt deze adcr aan de plica cubiti in verbinding
met de aderen van het wondernet, en vereenigt zich later met de vena jugu-
laris exlcrna tot eene gemeenscliappclijke irimonding in de vena axillaris.
Keeren wij thans, na de vaten van de voorste deelen des ligchaams le
liebben beschouwd, tot de aorta wcder. Nadat uit den boog van dezen hoofd-
stam do boven vermelde slagaderen ontsproten zijn, slaat zich de aorta over
den linker bronchus naar achteren, en loopt verder langs de wervelkolom door
de borst- en buikholte naar achteren, totdat zij zich in de beide arteriae
iliacae communes verdeelt.
fn de borstholle vvordt de aorta ook overkruist door den slokdarm. De
takken, die de aorta thoracica al'geeft, vertoonen niet de minste afwijkingen
van die bij den mensch.
Regis van de ^wervelkolom vcrloopt de vena azygos in het cavum media-
stini posterius; deze ader komt in alle opzigten met die bij den mensch over-
een. De vena cava inferior stijgt, zoo als wij reeds bij de beschrijving der
longen hebben opgeteekend. in de borstholle tusschen de binnenste en ach-
terste kwab der regter long omhoog, en onllast zich in den achterwand van
den regter voorhof.
De aorta abdominalis loopt met de vena cava inferior voor de lendenwer-
vels naar bcneden. De verdeeling dezer vaten is ongeveer dezelfde als bij
den menscb. Nog tusschen de crura van bet diaphragma ontspringt de ar-
teria coeliaca en onmiddellijk daaronder de art. mesenterica superior, terwijl
de art. mesenterica inferior ongeveer 4 centimeters lager haren oorsprong
neemt. De arteriae renales gaan in het eene voorwerp ongeveer onder eenen
regten hoek naar den hilus renalis, terwijl die der linker zijde veel lager
dan die der regterzijde uit de aorta ontspringt. In het andere voorwerp ont-
springen beide slagaderen op gelijke hoogte, en verloopt die van den linker-
kant schuins naar den liilus. De arteriae spermaticae internae ontspringen
nagenoeg op dezelfde hoogte als de arteria mesenterica inferior, en loopen
('2 ONTLEEDKUNDIG OJVDEK7.0KK VAN DEN POTTO VAN ItOSMAN
M-rvolgcns langs de voorvlaktc van den musculitx pxnas naar dc inwcndige
opening van het licskanaal. De vena apennalica onlla.sl zich aan cle linkcr-
xijdc in dc linker vena renalix: do vcnn spermalica dcxtra loopl in do rcnn
'iiva inferior nil.
Ecnc vrij stcrke arleriu sacra media onlspringt nil dc achlerzijdc van dc
aorta, en cvenzoo verloont zicli cene vena sacra media, die in de vena cava
inferior overgaat, een weinig hoven de vordccling dczer vaatslammen in dc
ilineae communes. Deze valen, die lungs de voorvlaklc van hel sacrum on
van den slaaii vorloopen, vcrloonen bij den Potto geen wondcrnel.
De arteriae iliacae communes zijn korl, en verdeelen zicli wcldra in art.
ltill>onastricae en art. crnrales. Ten opzigte van de takvcrdceling der arleriu
liifpogaslrica is alleen te vermelden, dat de art. pudenda niet door het fora-
men ixchiaticum mojus het bekken verlaat, niaar onmidtlellijk ler zijde van de
rcxiculae scminales door de bekkenholte naar den onderrand van de symphysit
vorloopl om aldaar in zijne cindtakken, de artcria dorsal is en prof'nnda penis,
over te gaan.
1 Dc arteria entrails loopt langs de binnenzijde van den musculus psoas naar
de voorvlakte van dc dij, alwaar zij spoedig, ongeveer 15 m.m. onder hot
ligamcntuni Poui>arlii, gcheel in het wondernet der achterstc lodematcn over-
gaat. Bij baron uilgang nit de buikholle geeft echtcr dc artcria crnralis
erst naar binnen de arl. epifjaslrica inferior en naar buiten de art. circum-
flexa ilii af. De vena critralis, naar binnen van dc slagador gelegcn, gaat
niot gehcel (zoo als de vena brachialis in de voorste ledematcn) in hot won-
dernet over, maar hangt slechts met enkele takkcn daarvan le zamen, terwijl
lager de vena critralis aan de achtcrzijde van het wondernet langs dc dij
naar boneden loopt. Het wondernet zelve heeft ongeveer dezelfde gedaante
als dal der voorste ledematon. Hot ligt, bedekt door den musculus sartorius,
tiisschen den vaslus interims en de m.m. adductores fcmoris. Er ontspringon
onderscheidene takken uit, die zich aan de dij in de spieren verspreiden.
Van onderen aan de dij splitst ook dit vaalnet zich in twee gedeellen;
bet eene gedeelte dringt tusschen den musculus sarlorius en m. gracili*
naar de oppcrvlakte, en gaat beneden de knie aan de binnenzijde van den
schenkel in twee vaatstammen over. Een dezer slammen is de vena sa-
phcn mayna; zij verloopt met, den nervus saplicnus major naar de binnen-
zijde van den voet; dc andere is de arteria tibialis postica, door de gelijk-
namige venae omgeven; doze slagader daalt langs de binnenachtervlakte van
ONTLEEDKUND1G ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN. 65
den schenkel oppervlakkig naar beneden, totdat zij aan den binnenrand van
den tendo Achillis ineer in de diepte dringt, en, vergezeld van den nervus
tibialis poslicus, acliter den malleolus inlernus naar de voetzool verloopt, al-
waar zij in de arteria plantaris interna en cxtcrna cindigt. Het andere ge-
deelte van liet wondcrnet gaat naar de fossa poplitaea, en wordt aan zijne
achtcrvlakle door de voortzetting van de vena cruralis vergezeld, die, zoo als
wij boven vermeld hebben, alleen door takkcn aan liet wondernet deel neeinl.
Om in de fossa poplitaea te komen beboeven deze vaatstammen den musculus
adductor magnns niet te doorboren, want deze spier plant zich slechts aan
de bovenhelft van het dijbeen in. Dit gedeelte van het wondernet voorziet
in de kniekuil de spieren, die aan de achtervlakte van den schenkel liggen.
van slagaderen, en gaat daarna over in de arteria tibialis antica. De venae
libiales zijn daarentegen met de vena poplitaea verbonden, die in de knie-
kuil ook nog de vena sophena minor s. externa opneemt. De arleria ti-
bialis antica trcedt door het interstitium interosseum naar de voorvlakte van
het onderbeen, en loopt verder langs de membrana interossea, onder het li-
ijaincntitin annulare, naar de rugzijde van den voet.
Zoo als bekend is, worden bij vele zoogdieren, bij andere soorten van
Stenoptt, bij Ololicnus, Tar sins onder de Lemuriden en ook bij Myrmeco-
l>hu(ja en Bradi/pus wondcrnetten of vaatvlechten aan
ZENUWSTELSEL.
Tot mijn locdwezen kan ik alleen van het pcriplicrisch gedeelle van liel
zenuwslelsel eenc nicer naaawkeuiige beschrijving gcvcn. De ccntrale dcolcn,
tie hcrscnen en het rnggeincrg, waren zoo week gcworden, dat hct nicl mo-
-i-lijk was deze deelcn ccnigzins in zamenbang uit do scbedelbolle en hri
raggemergakaBtt) to neinen.
L'il ocn vroegcr onderzocht voorvvcrp zijn cchlcr hij de liijdragc lot de
kennis van den Potlo twee afbceldingen dcr bersenen, eenc van de boven-
vlakle en eene van de grondvlakle, gevocgd. Uit dczc afbceldingen blijkt, dal
le zamcnstelling dcr bersenen, ten rninslc uilwendig, niet zecr verscbill van
die der overigc Lenuiriden. DC halfronden der groole hersenen hebben eene
ovale gedaante, en laten van acbteren do kleinc liersenen grootendeels onbe-
dekt. De gyri aan de oppervlaktc zijn weinig ontwikkcld. Aan dc kleine
liersenen is de vermis zeer groot en pnilt sterk uit. Ook is dc jloimliiK /eer
onhvikkeld, en dczc ligt groolendeels in eene afzonderlijkc holle van de pi-
raniide van bet slaapbeen *. Aan de grondvlakte dcr berscnon zict men slecbls
eene zwakke aanduiding van de fossa Sylvii als scbciding van dc luilfronden
in eene voorsle en acbtersle kvvab. Verdcr bemcrkt men aan deze af'beelding,
bebalve den oorsprong dcr verscbiilende bcrscnzenuwen, van voren dc sterk
itnlwikkelde, inwcndig bolle processus in a in ill a res; daaracliter ziet men bet
rMasma nervorum oplicorum, betgeen eene brecde connnissuur der gezigts-
zeninven daarstelt. Het tuber cinercum hceft de gewonc gedaanlc, maar de
daaracliter gelcgene corpora candicanlia zijn tot cen rondcn knobbcl vcrgroeid.
De pons Varolii is zeer plat; aan den voorrand van dit deel komen dc uil-
cenwijkende crura ccrcbri te voorschijn. Aan bet vcrlengde merg zijn de
piramiden-strcngen vooral duidclijk "j*.
Volgens FOVILLE is de flocculus in dezelfde verhouding als de gehoorzenuw ontwikkeld ; bij
hazen en konijnen, die ecu zccr scherp gehoor hebben, vindt men den flocculus zeer groot. SCIIBOE-
DER VAN DEB KOLK en \ T ROLIK, 1.1. p. 33.
f Men vergelijke hiermede de meer uitvoerige bescbrijving der hersenen van Slenops javanicus,
gegeven door de H.H. SCHROEDER VAX DER KOLK <:n W. VUOLIK, p. 30 33. PI. I,' fig. 14. In
>\p hoofdzaken komen de hersenen bij beide soorten overeen.
ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN. 65
Hersemcnuwcn.
I. Nervus olfactorius. De liolle processus mamillares vormen van voren-eenen
zecr sterken bulbus olfactorius, die de diepe kuil tusschen de paries orbitales
van het voorhoofdsbeen gcheel opvult. Uit de onderzijdc van dezcn bulbus
komen de zenuwtakjes, de eigenlijke reukzenuwen, te voorsdiijn, die door de
gaaljes van hot zeel'been naar de neusholtc loopen.
II. Nervus opticus. Dcze zenuw vertoont geene bijzonderhcden.
III. IV en VI. Het derde, vierde en zesde paar komen, zoo als uit de af-
bedding blijkt, op dezelfde plaats uit de hersenen tc voorschijn als bij den
mensch. De zenuwen van bet derde en vierde paar (nervus oculo-molorius en
n. trochlearis) loopen langs den bovenrand van den sinus cavernosus, terwijl
liet zesde zenuwpaar (de nervus abduccns) door de bolte van den sinus heen-
gaat. Doordien de fissura orbitalis superior ontbreckt, dringen deze zenuwen
door het foramen rotundum in de oogholle. Zij verspreiden zich, voor zoo
ver wij konden nagaan, op de gevvone wijze in de oogspieren.
V. Nervus Irijjcminus. Deze zenuw ontspringt met twee worlds ter zijde
uit den pons Varolii. liet ganglion Gasseri ligt in eene diepe uitholing aan
de punt van liet rotsbeen. Uit de voorzijde van bet ganglion ontspringen de
drie takkcn der zenuw. De eerste en tweede tak loopen, onmiddellijk naast
elkander golegcn, naar voren, en verlaten door dezelfde opening (bet foramen
rolundum) de schedelholte, terwijl de derde tak door het, ver naar achleren
gelegen, foramen ovale naar buiten gaat.
1. Aan den ranms ophthalmicus waren in de oogholte de drie hoofdtakkeri,
namelijk de nervus frontalis, n. lacrymalis en n. nasociliaris, duidelijk te
vervolgen. De n. nasociliaris loopt schuins over den nervus opticus naar den
Itinncnoogwand, en gceft aldaar den n. ethmoidalis af, die door het foramen
ethmoidale naar de schedelholte loopt, en vervolgens door een gat der lamina
cribrosa in dc neusholte dringt.
2. Ramus supramaxillaris. De tweede tak van het vijfde paar loopt van
het foramen rotundum af langs den bodem der oogkas naar voren, en gaat
door den sulcus en het kanaal onder de oogkas naar het aangezigt, waar hij
met verscheiden takkcn in de bovenlip en den neusvleugcl eindigt. Voor dat
de zenuw in den canalis infra-orbitalis dringt, geeft zij eenen nervus den-
talis superior af; deze zenuw gaat door eene eigene opening aan den bodem
der oogholte naar het antrum Highmori, en verspreidt zich verder in de kie-
zen en tanden der bovenkaak. Voorts ontspringen in de diepte der oogkas
30
NATUCHK. VERB. DEtl KOMMiL. AKADEH1E. DEEI, VII.
(( ONTLEEDKUNDIG ONDERXOEK VAN DEM POTTO VAN BOSMAN.
nil den minus MjMNMMttftliru twee slcrke takken; een van doze (;i. nasal i.
posterior) gaat door het vrocger beschreven foramen sphrno-palatinunt naar
dc ncusholtc; de twcede (n. palatinus ilcsccndcns) loopt door den canal is
lilt'i-i/go-palatinus en vcrspreidt zich in het slijinvlies van het gehemelte. (Een
ganglion sphcno-palatinum lieeft VAN CAMPEN niot kunncn vinden, en waar-
schijnlijk is dit ook niet aanwezig, aangezien de n. nasalis posterior en n.
palatinus descendcns uit den ratnus supramaxillaris zelven hunnen oorsprong
nemen, en ook de canalis vidianus ontbreekt.)
5. Kuinns infraina.rillaris. Door hot. oirondo gat aan de huitenvlakte van
den schedel gekomen, voorziet deze tak eerst do kaauwspieren met onder-
scheidene takjes (n. crotaphitico-buccinatorius), en geeft bovendien, zoo als hij
den mcnsch, drie lakken af. De n. aurieulo-tcmporalis heeft den gewonen
loop en de gewone verspreiding. De n. alvcolaris inferior en n. lingualis loo-
loii tus.schen de heide musculi ptcrygoidei (den in- en uitwendigen) van bin-
nen naar buiten, waarna de n. alveolaris inferior onmiddellijk in het tandkas-
kanaal binnendringt, terwijl de n. lingualis tusschen de binnenvlakte der
onderkaak en den musculus ptcrygoidcus inlcrnus verder naar beneden en
voren loopt, om tnsschen den MI. hyoglossus en m. genioglossus ter zijde in
de long te dringcn.
VII on VIII. De n. facialis en n. acusticiis gaan den meat us auditor in*
intermix binnen; de n. facialis doorloopt verder den canalis Fallopiae en
komt door het foramen sti/loiiiasloideiint naar buiten. Vervolgens geeft de
zennw ocrst een' n. auricularis posterior af, en doorloopl verder de glaniliiln
parotis van achteren naar voren, waarna zij zich met onderscheidene takken
dwars over den muse, masseter over het aangezigt verspreidt.
IX. De H. glossopharyngeus komt -door het foramen jugulare uit de schedel-
holte, loopt verder langs den muse, stylo-pharyngeus tusschen de art. carotin
interna en externa naar binnen, en eindigt als ramus lingualis in het achterste
gedcelte der long. In haren loop geeft de zenuw takken af aan den muse,
sti/lo-pharyngeus en den wand van den pharynx.
X. De nervus vagus neemt geheel denzelfden loop als bij den tnensch.
Ook de takverdceling levert geen bijzonder verschil o|. De sterkste tak aan
den hals is de n. laryngeus superior, die zich op de gewone wijze in den
larynx verspreidt. In de borstholte gekomen, geeft de n. vagus den nerv.
laryngeus recurrens af, die zich regts om de subclavia, links om den arcus
aorlae heenslaat, om tusschen de luchtpijp en den slokdarm naar het strotlm-
ONTLEEDKUND1G ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSHAN. 67
hoofd op le klimmen. Opnicrkclijk is het, dat dc n. vagus van boven aan
den hals, op de plaats, waar bij den mensch do plexus nodosus Meckelii ligt,
een vrij groot ganglion bezit; op dozen knoop komen wij bij den ncrvux
sympalhicus terug.
XI. De n. accessories Willisii, door bet foramen jugulare de schedelholle
verlaten hebbende, doorboort op de gewone wijze, daaraan takkeri afgevend,
den in. sternocleidomasloidcus, en cindigt in den m. cucullaris.
XII. De n. hypoglossus verlaat de scbedelholte door bet foramen condyloi-
deum anterius, en loopt aan den hals langs den achtersten buik van den
m. digastricus in een' boog naar voren; vervolgens splilst zich deze zenuw
in twee takken, die, bedekt door den m. mylohyoideus, in de spieren der long
ovcrgaan. De nederdalende tak is duidelijk langs de carotis te vervolgen.
Ruggemergzenuwen.
De ruggemcrgzenuwen komen natuurlijk over bet algemeen geheel overeen
met die van den menscb. Uit bet ruggemergskanaal te voorscbijn getreden,
verdeelen zich de zenuwen in eenen voorsten en achtersten tak; de achtcrste
lakken verspreiden zich in do nek- en rugspieren, terwijl de voorste onder-
ling zenuvvvlechten helpen zamenstellen.
Aan den plexus cervicalis is niets bijzonders op te merken. Onder de tak-
ken dezer vlecht zijn de voornaamste: de n. auricularis magnus, die schuins
over den m. sternocleidomasloideus naar bet oor opstijgt, en de n. phrenicus.
Doordien de m. scalenus anticus niet aanwezig is, loopt deze zenuw aan den
hals dvvars van den plexus brachialis, van welke vlecht zij ook zenuwtakjes
opneemt, naar beneden, en dringt de borstholte binnen, waar zij tusschen
de pleura en het harlezakje naar het middenrif voortloopt.
De plexus brachialis wordt door de vier onderste halszenuwen en de eerste
borstzenuw gevormd, en ligt aan den hals v66r den m. scalenus medius. Met
de' art. subclavia strekt zich deze vlecht naar de okselholte uit, alwaar zij
deze slagader op de gewone wijze omgeeft. De takken uit den plexus bra-
chialis zijn nagenoeg dezelfde als bij den mensch. Boven het sleutelbeen
geeft zij de n. n. thoracici, subscapulares en den n. supraspinatus af, die
door de incisura scapulae naar den m. supraspinalus loopt. In de okselholte
ontspringt uit de armvlecht de n. cutaneus medius; deze splitst zich boven
30*
C8 ONTLEEDKUNDIG ONDER20EK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN.
dou elleboog in twee lakken, dio in do liuid van don vooninn overman. Uok
vorspreidon zicli doorborende lakkon dor nervi inlerconlalcs in do laud en
ilc binnenzijde van den bovcnarm. Do ncrviis cnlanciis brachii cxlcrnus is
zecr slcrk, en doorboorl, zoo als bij den mensch, den m. coraco-bruchinlis,
.noofi nan dezc spier, gclijk ook aan den m. biceps en in. brachialin interims,
lakken af, en komt vcrvolgens nan den sulcu.t bicipilalis cxtenuis to voor-
schijn Aan den vooranu loopt de zonuw verder oppervlakkig langs de radi-
ale zijde naar beneden, verbindt zich boven den carpus met een lakje van
don . mcilianns, en eindigt in de buid aan de oppervlakle van den diiini. Do
n. circuinflcxiis huntcri vcrhoudl xicb even als bij den menscli. De n. nu'-
dianus omval met zijne wortels de art. axillaris, en loopt in don sitlcus
bicipitalis e.rternus langs het wondernet naar benedon; boven den clleboog
gaat deze zenuvv met een gedeelle der vaalvlecht door bet foramen supra-
nuli/loidcuin, en koml eerst op bet midden van den voorarm woder le voor-
schijn; zij loopt verder lusscben den in. flexor carpi radialis en m. flexor
digitorum niibliinis onder bet ligainenliiin carpi transversum naar de band-
palm, alwaar zij in de zijden der vingers, uilgenomen don vijfdcn vinger en
de buitenzijde van den vierden vinger, eindigt. Bovcndien geeff zij onder
don elleboog don n. intcrosseits af, en lager aan den voorarm ecu' tak, dio
bij den mensch niet voorkomt; deze gaat naar de oppervlakte, verbindt zicli
met den n. cutaneus extcrnus, en verspreidt zicli vervolgens in de spiertjes
van don thcnar en in de buid aan dc volaire vlaklc van den duim.
De n. ulnarix bool'l volkomen denzelfden loop als bij den menscb, en splitst
zich onder aan den voorarm in een' ramus dornalix (;n volaris. De eerstge-
noemde tak slaat zich om de ulna naar de rugvlaklc, en verspreidt zicb al-
leen in de huid van den vijfden vinger. De tweede tak loopl over bet li-
yamentum carpi transversum tusschen bet os pisiforme en de art. ulnaris
naar de handpalm, alwaar hij, in eenen oppervlakkigen on diepliggenden tak
gesplitst, zich op de gewone wijze verspreidt.
DC n. radialis wendt zich spiraalsgewijs om het opperarmbeen been, en
komt dan in den sulcus bicipitalis cxtenms. Reeds hoog in deze groove ver-
deelt zich de zenuvv in twee takkcn. Een van deze, ramns dorsalis s. su-
perficialis, doorboort den oorsprong van den in. snpinator longus, en loopt,
onmiddellijk onder de huid gclegen, langs het midden van de rugvlaktc van
den voorarm naar de hand, om in de huid der drie middelste vingers le ein-
ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN. <>'>
digen. Deze zonuw hccft dcrlialvc cen' geheel anderen loop en eene andcrc
verspreiding dan dc gelijknarnige bij den mensch. De andere tak van den
n. radialis komt overeen met den nervus radialis pro fit ndus. Dcze loopt langs
den sulcus bicipilalis externus naar den elleboog, en slaat zich vervolgcns
orn het lialsje van den radius naar achteren, om de spieren van den voor-
arm van takkcn le voorzien.
De n.n. thoracici verschillen met van die bij den mensch.
De plexus lurnbaris wordt gevormd door de voorste takken der vijf bovenste
lendenzenuwen. De voorste tak der laatste lendenzenuw gaat naar beneden
in den plexus sacro-coccygeus over. De zenuwen, die de lendenvlecht af-
geel't, zijn de n. culaneus externus, n. obturatorius en n. cruralis. De n.
yenito-cruralis is niet aanwezig, maar uit liet bovonste gedeelte der vleclit
ontspringen nog ecn paar zvvakke zenuwen, die tusschen de buikspieren naar
voren loopen, en zich, als de nervus ilio-ingninalis, in de liesstreek verspreiden.
De nervus cutaneus externus ontspringt nit de Iweede en derde lendenze-
nuw, en komt lusscben de beide hoofden van den musculus psoas major te
voorschijn. Hi] doorboort vervolgens den buikwand onder het ligamentum
Poupartti, en verspreidt zich in de huid aan de buitenvlakte van de dij.
DC n. obturatorius komt in loop en verspreiding met dien van den mensch
overeen.
De n. cruralis ontspringt uit de derde, vierde en vijPde lendenzenuw, en
loopt lusschen de beide hoofden van den psoas major naar de voorvlakte der
dij, waar hi] in de fossa ilio-pectinea aan de buiterizijde der arteria crura-
lis gelegen is. Op deze hoogte splitst zich de zenuw in twee gedeelten, waar-
van het eene zich met vele takken in de hooPden van den m. extensor r,ruris
quadriceps verspreidt. Het andere gedeelte voorziet den m.sarlorius van ze-
nuwen en verdeelt zich daarna in twee huid-takken, die, bedekt door den
m.sarlorius, langs het wondernet naar beneden loopen; boven de knie treden
zij aan den buitenrand van den m. sartorius naar de oppervlakte, alwaar de
eene tak, als n. saphenus minor, aan de binnenvlakte van de knie in de huid
cindigt; de andere loopt als n. saphenus major langs de binnenvlakte van de
knie en het onderbeen, vergezeld van de vena saphena magna naar den rug
van den voet, en eindigt, na takverbinding met den n. peroneus super ficia Us,
in de huid aan de binnenzyde van den grooten teen.
De voornaamste takken van den plexus sacro-coccygeus zijn de n. cutaneus
femoris posterior, de n. ischiaticus en de n. pudendus communis. APzonder-
70 ONTLEEDKUMDIG ONDF.RZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN.
lijke n.n. glnlaei zijn nict te ondersclieidcn, maar dc bilspieren worden voor-
zicn door takjes van den ncrvus ischiaticus.
De drie gcnocmdc zenuwen verlaten het bckken door hct foramen ischi-
aticum langs den voorrnnd van den vroeger beschrevenen ischio-coccygeiis. DC
nervus cutancus fcmoris posterior verspreidt zich verdcr als Imidzenuw aan
de achtervlakte der dij.
De n. ischiaticns loopt op de gewone wijze langs de oppervlakte der dij
naar de fossa poplitea, alwaar hij te voorschijn komt, gesplitst in eenen n.
peroneus en libinlis posticus. De n. pcronens, bedekt door de breede aan-
hechting van den m. biceps, slaat zich om het bovenste gedeelte der fibula
naar voren. en verdeelt zich daarbij in eenen diepen en oppervlakkigen tak.
De n. peroneus super finalis verloopt achter den m. peroneus longus naar
beneden, en komt vervolgens tusschen dcze spier en den m. extensor digitorum
longus te voorschijn, vvaarna de zenuw oppervlakkig naar de rugvlakle van
den voet loopt, en met hare eindtakken zich in al de zijden dor tecnen ver-
spreidt, alleen de buitenzijde van den kleinen toon uitgezonderd, die door den
n. suralis van zenuwtakkcn voorzien wordt. De n. suralis is hier gcen tak
van den n. tibialis, zoo als bij den mensch, maar onlspringt in de fossa
poplilca uit den n. peroneus, en loopt vervolgens langs de buitenzijde van
het onderbeen naar beneden. De n. peroneus profundus geeft lakken af aan
al de spieren aan de voorvlakte van het onderbeen, en loopt daarbij, juist
zoo als bij den mensch, langs de membrana interossen naar beneden. Onder
het ligamcntum annulare antcrius gaat hij verder naar de rugvlakte van den
voet, alwaar hij in den m. extensor digitorum brevis eindigt *.
De n. tibialis posticus loopt midden door de fossa poplitea, en verbergt zicli
tusschen de beide hoofden van den m. gastrocnemius. Aan het onderbeen voor-
ziet hij de spieren aan de achtervlakte van zenuwtakken, en gaat verder, ver-
gezeld van de art. en ven. tibialis postica, langs den malleolus intermis naar
de voetzool. Hier verdeelt zich de zenuw in een' n. plantaris intermis en exler-
nus, welke zich, even als bij den mensch, in de huid en de spieren van de
voetzool verspreiden.
Het sympathische zenmvstelsel heeft, voor zoo ver wij dit konden onder-
B\j den mensch loopt deze zenuw verder door, eu verspreidt zich ook in de naar elkaiir ge-
keerde zijden van den eersten en twceden toon, die aldaar niet door den n. peroneus superfici-
alis voorzien worden.
ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN. 71
zoeken, over het geheel dezell'de zamenstelling als bij den mensch. Aan den
lials echter konden wij bij geeri van beide voorwerpen eene afzonderlijke grens-
streng onderscheiden. Wanneer wij nu bedenken, dat de n. vagus hoog aan
den hals met een vrij sterk ganglion voorzien is, dan word t het zeer waar-
schijnlijk, dat do n. vagus en n. sympathicus aan den hals in eene gemeenschap-
pelijke scheede verloopen, zoo als zulks bij meer dieren, bij den hond b. v.,
hot geval is.
OVER DE ZINTUIGEN.
Het gehoor-orgaan.
Het uitwendig oor heeft bij de Lemuriden geene gelijkvormigheid met dat
van den mensch, zoo als bij de apen. Het vertoont zich bij den Potto als
eene ovaalronde schelp, die zich naar onderen toe tusschen twee uitstekende
deelen, die men met den tragus en antitragus vergelijken kan, trechtervor-
mig vernaauwt, en alzoo in den uitwendigen gehoorweg overgaat Een helix en
anlhell-c ontbreken ; een dwarse plooi vervult de plaats van het laatstgenoemde
deel. De spieren, die de oorschelp bewegen (musctilus attollem auriculae,
m. allrahens auriculae en de twee rctrahcntes} , zijn boven beschrcven.
De kraakbeenige gehoorweg zet zich tot aan het trornmelvlies aan de on-
derzijde voort, terwijl de beenige gehoorweg slechts een halfkanaal aan de
bovenzijde vormt (biz. 11). Het trommelvlies ligt zeer naar beneden, in de
diepte en scheef; het heeft omtrent 4 m. rn. in de middellijn. De trommel-
holte zet zich aan den voorwand voort in de tuba Eustachii, waarvan boven
gesproken is, terwijl zij zich naar onderen voortzet in de gehoorblaas (bulla
tympanica), die achter de gewrichtsholte voor de onderkaak op de ondervlakte
des schedels uitpuilt, en zich tot het foramen ovale en foramen caroticum uit-
strekt, welke gaten aan den voorrand dezer beenige blaas gelegen zijn.
De gehoorbeentjes zijn over 't geheel gelijkvormig aan die van den mensch.
De steel van den hamer ligt omtrent in het midden van het trommelvlies;
de geheele lengte van dit beentje is nagenoeg 5 m. m ; het hoofd ofknopje
is hoog geplaatst en in eene holte van den bovensten wand der trommelholte
opgenomen. Het lange uitsteeksel is met den voorrand van den trommelring
vergroeid, en werd bij het uithalen der gehoorbeentjes afgebroken. Het aanbeeld
72 (.MLEF.DKUiNDlG ONUKH/.OEK V\\ DKN POTTO VAN BOSMAN.
is 5 in. m. lang, 2 ID. in. breed, en heel't zeor kortc crura, die met elkan-
dor een' region hock maken en naur arhlorcn gerigi zijn; hel onderste of
voorste dezer schenkcls draagl cen klein eirond knopje (hct dus genoemde
us lenticulare), dat met den slijgbeugel vorbonclen is. De slijgbeugel is 2'm. m.
bug, en heeft een breed cajnlnlinii^ do voorste scbenkel is meer gebogen,
de andero is regler on, vooral naar ondercn, breeder. Het plaatje van den
slijgbengcl is langwerpig rond, en van ondcren eenigzins bol. De opening
tusschen de twee crura is 1 m. m. lang en | m. m. breed.
De twee venslcrs, die van de tromnielholle naar den doolbof geleiden, lig-
gen meer naar binnen en naar boven dan bij den mcnscli. De fenestra ro-
Innda ligl daardoor zeer digt bij den ^ortis acuslicus internus.
Wat den doolbof belreft, hiervan weot ik niet nicer, dan hel ondcrzoek van
bet afgcbeilelde slaapbeen bij een reeds oud dier leeren kon. De halfcirkel-
vormige kanalen zijn vrij groot, vooral bet verlikale of voorslc kanaal. In
/ijne bogt is op de binncnvlakte van den scliedel do bollc gelegen, die
den flocculus der klcinc horsencn opncemt, en aan de binnenzijde dior bolle
ziet men don oqvaedttctHi veslibuli. De cochlea is 4 m. in. lang en met de
spits regt naar voren gerigt. Zij bccft mini 2i windingen. Aan dc binnen-
zijde is de cochlea door eene ruime bollc omgeven, die hot voorste gedeelte
van die geboorblaas is, waarvan wij vroeger melding niaaktcn. Slecbls voor aan
de spils is de cochlea door beenzclfstandigbeid mel de buitcnvlaktc van hel
slaapbeen vcrbonden, maar word I overigens van alle kantcn door ruimten, die
met lucbt opgevuld zijn, omgeven. Ook achter hel gehoorwerkluig ligt eene
ruime beenige holle, waarin bel tepelvormig gedeelte van bet slaapbeen ver-
anderd is. Beenige, zeer dunne tusschenschollen verdeelen deze ruimlon in
eenige groole cellen, die echler alle mel elkander verbonden zijn.
Hel gehoor van den Potto zal waarscbijnlijk scberp zijn; nicl slecbls de
groote onlwikkeling van den doolhof, maar ook de vele resonercndc ruimlen,
waardoor dit deel omgeven is, schijnen zulks aan te toonen.
Voor hel overige zou de grootte van den doolbof, die van de spils der
cochlea lol aan den acblerrand der canales semicirculares ruim een cenlimeler
bedraagt, reeds voor het scherp gehoor van den Potto schijnen le pleilen, wan-
neer er over 't geheel een bepaald verband aanwczig was lusschen de grootle
des ligchaams en die der hoogere zintuigen (gezigt- en gehoorwerkluig). Maar
hel komt mij meer waarscbijnlijk voor, dal er zulk cen verband niet bestaal,
en dat bij kleinere gewervelde dieren over 't geheel de betrekkelijke grootle
ONTLEEDKUNDIG ONDF.RZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN. >
der zinluigen aanzienlijkcr is dan bij groote soorten. Het oog der walvisch-
achtige diercn is wel op zich zclf hct grootste oog, dat wij in het dicrenrijk
kennen, maar hot is klein, in bclrckking lot de groottc des geheelen ligchaams
dezer dieren. Bestaat er misschien eene gemiddelde groottc der hoogere
zintuigen in elkc dierklassc, waarvan de twee uitersten, het minimum en maxi-
mum, minder uiteen wijken, dan de versehillen van de grootte des gehcelen
ligchaams?
De overige zinluigen.'
Het oog word door mij in 1851 in de Verh. over den Potto kort beschre-
ven (biz. 8) en (op PI. I Fig. 10) in ecne dwarse doorsnede afgebeeld. VAN
CAMPEIY heeft dienaangaande niels anders opgeteekend, dan dat de cornea
eenen zeer grooten omtrek heeft, en dat de pupil nagenoeg cirkelrond is. Ook
trok do bolle lens cryslalina zijne aandacht, die ik zeer groot en bijkans
kogelrond vond. Evenmin als door mij werd door hem een tapetum lucidum
waargenomen; hi] vond de choroidea overal even zwart als bij den mensch.
Ecnige verspreide aanmerkingen over bijkomende deelen van het oog zijn bo-
vcn medegedeeld.
Over de beenderen, die tot het reukorgaan behooren, is boven gehandeld
(bl. 0, 12). Breedvoeriger is de long beschreven (bl. 47, 48), welke beschrij-
ving wij hier niet behoeven te herhalen.
31
NATUURK. VERH. DER KONINKL. AKADEMIE. DEEI. VII.
VERKLARING DER AFBEELDIN6EN.
Al de figuren zijn in natuurlijke grootte met uitzondering van Fig. 21 en 22 op PI. III.
PLAAT I.
Tig. ] . Binncnvlakte van den schedel, na wegname van het schedeldak. a. foramen opti-
ci'in ; b. foramen rotundum ; c. foramen caroticum ; d. foramen ovale ; e. fora-
men spinosvm; f. porus acuslicus iniernus; g. groef voor deu flocculus der klrinc
liersenen ; 7i. het dubbele foramen jugulare.
Fig. 2. Ondervlakte van den scliedel.
a. Foramen condyloideum anterius ; b. foramen caroticum ; c. foramen ovale ;
d. foramen slylomastoideum, waarin ter verduidelijking eeu stiletje is ingebragt ;
e. opening waardoor de art. meningea naar de schedelholte gaat, evenzoo verdui-
delijkt; f.f De beide openingeu tan den canalis pterygopalatinus, waardoor een
stilet been gebragt is; g. de foramina incisiva; * plaats op de gehoorblazen, waar
de kleine hoornen van het tongbeen zijn aangehecht.
Fig. 3. Beenderen van deu arm en de hand van de linkerzijde. Het opperarmbeen ziet
men van voren met het gat of kanaal boven den condylus intermit, bl. 16. De
hand is in pronatie geteekend, zoodat de rugvlakte der beenderen zigtbaar is.
Bij f ziet men het capitulum ulnae, dat geleed is met het ondereinde van het
spaakbeen.
Fig. 4. De handwortelbeentjes van de linkerzijde aau de volaire vlakte.
ONTLEEDKUNDIG ONDERZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN. 75
Fig. 5. De handwortelbeeritjes van de regterzijde van de rugvlakte.
In fig. 3, 4 en 5 zijn de handwortelbeentjes door dezelfde cijfers aangewezen.
1. Os naviculare ; 1*. ossiculum accessorium; 2. os lunatum; 3. os iriquetrum ;
4. os multangulum majus; 5. os multangulum minus; 6. os capitatum; 7. os
hamatum; 8. os. pisiforme; 9. een toegevoegd beentje, aan de radiale zijde van het
os multangulum majus en beneden het os naviculare gelegen; 10. beenplaatje
in den dwarsen band van den carpus.
Fig. 6. Ondereinde van den radius en de ulna van de regterzijde en van achteren gezien,
om de gewrichtsvlakte voor den carpus te toqnen.
Fig. 7. Beenderen van den achterpoot der regterzijde van voren gezien.
Fig. 8. Voetwortelbeentjes van den linker achterpoot van de oiiderzijde gezien.
In fig. 7 en 8 zijn de Voetwortelbeentjes met dezelfde cijfers aangewezen. 1. cal-
caneus; 2. talus; 8. os naviculare tarsi; 4, 5, 6. ossa cuneiformia; 7. os cu-
boideum. f Een beenplaatje aan de zoolvlakte van den voetwortel, naast het eerste
os cuneiforme in het ligamentum tarsi transversum gelegen.
Fig. 9. Kop van de regterzijde gezien, om de gedaante van het uitwendig oor en de
ligging der glandula parotis te toonen. a a', de huidspier over het aangezigt, welke
eene voortzetting is van de breede halsspier.
b'. ductus stenonianus ; b. parotis.
Voor de parotis ziet men takken van den nervus facialis, en het meest naar
boven de art. temporalis.
PLAAT II.
Fig. 10. Spieren van den bovenarm en zenuwen van deu plexus bracMalis, linkerzijde.
1. Musculus pectoralis major, oingeslageu.
2. M. pectoralis minor.
3. M. subclavius.
4. Oorsprong van den m. scalenus posticus.
5. Onderste gedeelte va* deri m. serratus anticus major, zich aan den hoek
van het schouderblad inplantend.
6. M. anconaeus quintus.
8. M. biceps. 8'. Kort hoofd dezer spier, aan de pees van de m. coraco-bra-
chialis ontspringend.
9. M. brachialis internus.
31*
ONTLEEDKUNDIG ONDEK/.OEK VAN DO POTTO VAN
De zenuwen zijn door letters aangewezcn : a. nervus medianus; b. n. culaneits
brachii externus; c. n. cutaneus brachii internus; d. n. ulnaris; e. n. radialis.
Kig. II. Spieren van ilen arm en voorann van de linkerzijde, achtervlakte.
0. JUusculus infraspinatus ; b. M. teres major- c. het lange hoofd van den m.
triceps; d. het buitenste hoofd van dezelfde spier; e. buitenrand van den aan
de biinu'iivlakte gelegeu m. biceps; f. m. extensor carpi radialis longus; g.
m. ext. carpi rad. brevis; i. m. adductor pollicis longus; k. adductor pollicis;
1. m. supinator lotigus; m. mutculus extensor digitorum communis.
Fig. 12. Spieren van den voorann van dezelfde zijde en eveneens van achteren, na weg-
nanie van den m. supinator lonyus, den in. extensor digitorum communis en den
m. extensor carpi ulnaris.
n.n. m. extensor pollicis longus; o.o. m. indicator,
f, g, i als in de vorige figuur.
Fig. J3. Spieren van denzelfden voorarni aau de voorste of biunenste vlakte.
a. Onderste inplanting van de tweehoofdige armspier (m. biceps) ; b. oorsprong
van den m. extensor carpi radialis longus; c. m. pronator teres; d. m. Jlexor
carpi radialis; e. m. palmaris longus; f. m. flexor carpi ulnaris; g. oorsprong
van den m. flexor digitorum profundus; h. peas van den m. adductor pollicis
longus; i. m. adductor pollicis brevis; k. aanhechtintr van ecu gedeelte van den
m. flexor pollids brevis; I. m. adductor digiti minimi ; m. m. flexor digiti minimi.
PLAAT III.
Fig. 14. Spieren van den achterpoot der regterzijde van de buitenzijde gezien.
a. Oorsprong van den m. sartorius ; b. begin van den m. rectus femoris ; c. m.
vastus externus; d. m. glutaeus maximus; e. m. biceps femoris; f. buiten-on-
dervlakte van het dijbeen; g. m. libialis anticus; h. m. extensor hallucis lon-
gus; i. m. extensor fiallucis brevis; k. m. extensor digitorum brevis ; m. m.
peroneus longus; n. m. peroneus brevis; o. pees van den m. peroneus lon-
gus; p. m. adductor pedis brevis; qq, m. extensor digitorum longus.
F-ig. 15. Onderschenkel en voet van denzelfden achterpoot van de binnen- of achtervlakte
a. m. poplitaeus; b. m. flexor digitorum communis (perforans); c. tweede
m. flexor digitor. communis; deze spier gaat in ee;ie sterke pees over, die in
de voetzool door de pees der voorgaande spier bedekt wordt, en zich in tweeen
OMLEEDKIWDIG ONDEUZOEK VAN DEN POTTO VAN BOSMAN. 77
splitst; eeue dezer pezen gaat, als flexor pollicis lone/as, naar het nagellid van
den grooten teen, de andere pees gaat in de pezen van den voorgaanden m.
flexor digitorum longus over. d.d. M. tibialis posticus; f. m. peronaeus bre-
vis; ff. m. peroneus longus; h. m. flexor digitorum brevis; deze spier ont-
springt van de pees van den m. flexor digitorum longus.
Fig. 16. Linker voet van onderen.
a. m. adductor pedis brevis; b. m. adductor digiti quinti externus; c. m. ad-
ductor digiti quinti interrtus ; d. m. flexor digiti minimi.
Fig. 17, 18. Eenige spieren, random het bekken gelegen.
Fig. 17. (Van de regterzijde) a. m. glutaeus medius; b. m. glutaeus minimus; c. pees van
den m. obturatorius interims ; d. m. quadrattis femoris ; e. m. coccygeus ; aan des-
zelfs bovenrand ziet men den nervus ischiaticus te voorschijn komen; /. m. ad-
ductor magnus; g. m. adductor longus.
Fig. 18. (Van de linkerzijde) a. m. bulbo-caveruosus ; b. >u. iscfiio -caver nosus ; c. m. le-
vator ani. Bij d. ziet men den nervus pudendus communis.
Fig. 19. Penis en scrotum van voren. Men ziet de glans penis door eene eigenaardige, bin-
nen het praeputium liggende slijmvliesplaat kringvormig omgeven.
Fig. 20. Kop, met de tong en het strottcnhoof'd. De onderkaak is weggenomen. De dwarse
uitspringende randen op het verhemelte valleii duidelijk in het oog. -- Tegen de
ondervlakte der tong ziet men het in slippen verdeelde plaatje digt aan liggen,
en daaronder in a. een tweede plaatje, hetgeen vroeger nog niet opgemerkt was
In clit plaatje ligt de opening van de ondertongs- en onderkaaks-speekselklieren,
waarin een borstelhaar f is gebragt.
Fig. 21. Ondervlakte van een gedeelte van den schedel van den liukerkant, schuins naar
boven in de trommelholte gezien tegen de beenplaat, die de cochlea van buiten
omgeeft. Men ziet daarin de fenestra oi-alis en feneslra rotunda. Deze figuur
is ruim tweemalen de natuurlfjke grootte.
Fig. 22. Gehoorbeentjes van de linkerzijde (vergroot ruim 3 malen) a. malleus; b. incus;
c. stapes.
:> ;:;> >
DRUKFOUTEN.
Bl. 20 rcg. 21. 0330 metacarpi van KON AKAD V WETENSCH. ATO. NATUUHK. D. VH
A J Wtnarl IB Imp. del
VAN CAMPEN, Oatleedk. onderzoekr. d.Potto van Bosnian.
n.
J r (f HoGveii pater e fil , ad na ale!.
VERH D. KON. AKAD V. WETENSCH. AFD- NATUURK. D. VII.
Meyer . C? impr> Amsterdam
A J Wax/d m l*p <
VAN CAMPKN, llntleedk. nmlirzuek v d Tutln van tiiisnian .
Ill
r d Hoeve.n ad nst .
Meyer i C? 7tnpr Amsterdam
in!*f del
VKRH I). KON AKA1) V WETENSCH. AFD XATUURK. D VII
I N H O U D.
VOORBERIGT bl z . J j g.
INLETDING 3 5.
ONTLEEDKUNDIGE liESCHRIJVING 5 73.
Uitwendige gedaantc. Haarbeklecding. AfmetiiiKcii 5 8.
BESCHRIJVING VAN HET BEENGESTEI 8 22.
1. 1-Jet beenige Hoofd 8 13.
2. DC Wervelkolom // 13, 14.
3. Borstkas ,/ 14, 15.
( 4. Beenderen drv voorstc Ledematen 15 IS.
5. Beenderen der achtersto Lerlcmaton 18 22.
BESCHRIJVING DEK SPIEREN 22 47.
1. Huidspieren 22 , 23.
2. Spieren van den Kop - 23 , 24.
3. Spieren van den Hals 24 27.
4. Eorstspiereii // 27 , 28.
5. Buikspieren 28 , 29.
\ 6. Spieren van het Perineum // 29 , 30.
7. Rug- en Nekspieren 30 32.
8. Spieren van den Staart // 33.
9. Spieren der voorste Ledematen 33 38.
10. Spieren der achterste Ledematen 38 47.
Spijsverteringswerktuigen . // 47 53.
Het Uro-genitale stelsel // 54 56.
Ademhalingswerktuigen // 56 , 57.
Hart- en Vaatstelsel . // 57 63.
\
Zenuwstelsel ,/ 63 71.
Zintuigen 71 73.
VERKLARING DER AFBEELDINGEN ;/ 74 77.
-
^
^
VV fc
^ ^ s
cevr ,.
^^~ - ^^^.^^
t <
- , - ' ^^I A r^r^x
e /'
" n -, -, - - -
'--